Text Size

Starten met een aquarium DEEL 18

Starten met een aquarium
Deel 18 - De voeding.
Auteurs Johan De Coninck (Aquarianen Gent), Freddy Lievens en Lieven Valcke.

1. Hoeveelheid.

Om mooie grote vissen te krijgen is het belangrijk dat uw vissen voldoende voedsel aangeboden word, toch wordt hier meestal niet de fout gemaakt. De meesten onder ons voederen echter te veel. Te veel voedsel wordt niet opgegeten door de vissen en ligt dan te rotten wat zeer nadelige gevolgen heeft voor het evenwicht in het aquarium, wat meestal resulteert in een overmatige algengroei. Als het teveel aan voedsel toch opgegeten wordt, dan produceren uw vissen meer afval, waardoor uw water toch nog overbelast wordt.

Men kan als algemene regel stellen dat het aangeboden voeder binnen enkele minuten moet verorberd zijn door uw vissen. Het is zelfs gewenst om elke week een vastendag in te schakelen (niet bij jonge vissen). Zo worden de darmkanalen van uw vissen eens mooi leeggemaakt.

Het is vanzelfsprekend dat jonge vissen meer voedsel nodig hebben dan hun volwassenen soortgenoten. Het is beter dat men meermaals per dag voedert met kleine hoeveelheden dan éénmaal een grote hoeveelheid.
Men moet ook rekening houden met het tijdstip waarop uw vissen actief zijn. Meervallen zijn veelal nachtactief, overdag voederen heeft dus voor deze vissen minder zin.

2. Afwisseling.

Net zoals alle dieren moeten ook vissen goed gevoederd worden. Met goed voederen bedoelen we nu niet veel voeder. Goed voederen wil zeggen dat de vissen afwisseling moeten krijgen in het aangeboden voeder. Hoe meer men afwisselt, hoe gezonder en sterker de dieren zullen zijn; hoe minder snel ze ziek zullen worden. Door afwisseling zorgt er ook voor dat de vissen een grotere diversiteit aan grondstoffen kunnen opnemen. Eenzijdig voederen daarentegen heeft tot gevolg dat de vis bijvoorbeeld veel vitaminen A opnemen maar, een beduidend tekort aan bijvoorbeeld vitaminen B gaan hebben.

3. Het soort eten voor uw vissen.

Het is vanzelfsprekend dat kleine neons niet hetzelfde voeder eten zoals Cichlasomasoorten. Men moet dus de grootte van het voeder ook uitkiezen in functie van de grootte van de vis.

Niet enkel de grootte is van belang, ook waar uw vissen eten is van uiterst belang. Corydora's bijvoorbeeld eten altijd van de bodem. Heeft u deze vissen eten dat minuten lang blijft drijven, dan komen deze vissen niet aan bod bij het voeren. Omgekeerd is ook waar. Als u snelzinkend voer heeft dan komen uw vissen van de bovenste waterlaag niet aan bod.

Wat u ook geeft aan uw vissen, zorg ervoor dat het voeder geschikt is voor uw vissen. De ene soort heeft al wat meer groenvoer nodig; anderen houden meer van rood voeder. Het is dus belangrijk dat u zich goed informeert naar wat de behoeften zijn van uw vissen. In deel 2 van deze cursus hebben we ook reeds kort vermeld welk voeder de vissen appreciëren.

4. Droogvoer.

Droogvoer is, bij de beginnende liefhebber, misschien wel het enige voeder dat de vissen krijgen. Diverse merken brengen ze op de markt en ze zijn in verschillende kleuren en grootten te verkrijgen. De vlokken zijn samengesteld van diverse voedseldieren en groenvoer. De kwaliteit ervan is de laatste jaren sterk op vooruit gegaan, doch als dagelijks hoofdvoer durven we ze u niet aanbevelen. Zoals hierboven vermeld, kan men ze wel in afwisseling met ander voedsel geven.

In de categorie droogvoer horen ook de gevriesdroogde voeren. Dit is levend voer dat men in droge vorm aanbiedt, wat een hele aanvulling is met het traditionele vlokkenvoer. Dit voedsel heeft het nadeel dat het zeer lang blijft drijven waardoor de vissen van de onderste waterlaag niet aan bod komen.

5. Levend voer.

Levend voer is ongetwijfeld de Mercedes van de vissenvoeren. Vele vissen verlangen ook niets anders dan levend voer. Bij het voeren moeten de vissen achter het voedsel jagen zodat ook hun natuurlijk jachtgedrag naar voren komt. Geeft men levend voer, dan zullen uw vissen met heel wat meer enthousiasme dat voedsel aanvallen. Het is als het ware een spektakel om uw vissen zo gretig te zien eten. Toch is het niet voor het spektakel dat u het moet doen. De kwaliteit van levend voedsel is onverbetelijk, tenzij het voer uit sterk verontreinigd water komt.

Men kan dus het levend voedsel zelf gaan scheppen in een naburige sloot. Men moet dan wel opletten dat men geen karperluizen of hydra’s meeschept, die schadelijk kunnen zijn voor uw vissen. Het geschepte voedsel laat men enkele minuten bezinken in de emmer, waardoor voorgenoemde zich kunnen afzetten op de rand van de emmer. Daarna kan men de levende dieren uit de emmer scheppen om ze te voederen of in te vriezen. Het spreekt vanzelf dat de sloot niet verontreinigd mag zijn.
Deze levende dieren worden ook bevroren aangeboden in de aquariumhandel, men spreekt dan van diepvriesvoer. Diepvriesvoer verliest toch al een klein beetje aan kwaliteit tegenover het levend voer, maar is toch nog steeds zeer aan te raden voor mensen die zich niet kunnen bezig houden met het vangen en kweken van levende voedseldieren. Ook bij het zelf vangen van levend voer moet men deze invriezen, en het liefst zo snel mogelijk (het vriesproces moet zo snel mogelijk gaan) omdat anders veel van de voedingswaarde verloren gaat.

Men kan diverse voedseldieren geven als levend voer. Het is zeker van groot belang om rekening te houden met de grootte en de soort van het voer.
* Muggelarven:

Bestaan in 3 variëteiten (de witte, de zwarte en de rode muggenlarven) die enkel door kleine vissen niet gegeten worden. Met kleine vissen bedoelen we hier jongbroed. Rode muggenlarven worden soms in de handel aangeboden, toch is het voor sommige vissoorten niet aan te raden om rood voedsel aan te bieden. Men mag ze helemaal niet voeren aan Oost-Afrikaanse meercichliden (zie deel 3). De zwarte muggenlarven kan men zo uit de regenton halen van uw tuin. Men spoelt ze eerst wel goed en kunnen daarna aan uw dieren gegeven worden.

* Artemia salina - pekelkreeftjes

Kreeftachtigen: daartoe behoren de daphnia’s (watervlooien), mysis, cyclops en artemia (pekelkreeftjes). Kleinere vissen geeft men vooral watervlooien en larven van artemia (artemia-naupliën). Grotere vissen voert men dan met mysis en volwassenen artemia. Veel van deze voedseldieren kan men zelf kweken.
Fruitvliegjes: deze worden meestal zelf gekweekt. Er bestaan in feite twee soorten, doch de interessantste zijn zeker de ongevleugelde fruitvliegen. Ze zijn onontbeerlijk als voedsel voor killy’s en vissen van de bovenste waterlagen, zoals bijvoorbeeld bijlzalmen.


6. Groenvoer.

Voor de cichliden van de Oost-Afrikaanse slenkmeren is het van groot belang dat we de vissen bijvoeren met groen voer (spirulina). Groen voer zoals bijvoorbeeld algen staan op het dagelijkse menu van veel van onze vissen. Het zou dus onrechtvaardig zijn om onze vissen dit voer te ontkennen.

In vele vlokkendroogvoer is reeds groen voer verwerkt. Is dit niet zo, dan kunt u dit vlokkenvoer mengen met vlokkenvoer dat uitsluitend vervaardigd is van plantaardige oorsprong.

7. Vitaminen.

Bij zeer goede afwisseling van het voer en bij het regelmatig voederen met levend voedsel, zal er niet gauw vitaminengebrek optreden. Vitaminengebrek is de oorzaak van ziekten bij de vissen. Daarom is het aan te raden om soms enkele vitaminen toe te voegen aan het voedsel. Men laat deze vitaminen (in poedervorm) intrekken op bijvoorbeeld het ingevroren voedsel dat men laat ontdooien zonder toevoeging van water, anders lossen de vitaminen op in het water en kunnen de vissen dit niet opnemen.

Elke vitamine heeft zijn positieve werking op de vis (zie bijlage). Het is natuurlijk onbegonnen werk om elke vitamine apart toe te dienen. In de apotheek zijn er daarom ook multivitamines zoals pecutrine te verkrijgen die de meeste vitaminen bevatten.

Aanmelden