Text Size

Aquarium houden, stap voor stap DEEL 5

Aquariumhouden, stap voor stap
Deel 5

door Johan Van Lancker, clubblad, extra dossier.

Algemene beschrijving van Zuid-Amerika

Geografisch gezien is Zuid-Amerika het gebied ten zuiden van het continent Amerika zonder de landengte die het zuiden met het noorden verbindt. Op aquaristiek vlak mogen we zelfs een groot gedeelte van het zuiden van Zuid-Amerika verwaarlozen. Het heeft een oppervlakte van 17,5 miljoen vierkante km en buiten het westelijke gelegen hoge Andesgebergte dat steil afdaalt naar de zuidelijke oceaan, omvat het oostelijk deel het grote en vlakke stroomgebied der grote rivieren, onderbroken door laag berg- en heuvelland. Het is het grootste en rijkste watergebied dat er bestaat. Het levert de grootste diversiteit in aantallen soorten en grootten aquariumvissen dan gelijk enig ander continent op onze wereld.

Vissoorten

Een idee wat de vissoortenverdeling in Zuid-Amerika:

  • 40% karperzalmen
  • 42.5 % Meervallen
  • 5.7% Cichliden
  • 11.2% andere soorten

Bij deze verdeling wordt uitgegaan van aantallen en soorten en geen biomassa (volume vissen)

Water

In het algemeen kan men stellen dat Zuid-Amerika zacht tot zeer zacht water heeft, met een Ph die tussen neutraal en zeer zuur schommelt. Dit wil niet zeggen dat er geen kleine gebieden aangetroffen waar men hard en licht-alkalisch water kan vinden. Er wordt algemeen aangenomen dat er 3 soorten water te vinden is. t.t.z..

  • Witwater: bv. Amazone, Rio Madera
    - wit tot troebel wit van kleur
    - afkomstig van rivieren die nog door jonge geologische steenformaties stromen in het Andesgebergte. Deze jonge zachte gesteenten geven nog veel erosiematriaal af, de rivieren bevatten daardoor veel slib en opgeloste stoffen.
    - doorzicht 10 tot 20 cm, weinig of geen waterplanten doordat het zonlicht niet diep kan doordringen in het water.
    - ph 6,2 tot 7,2 en geleidbaarheid 3 tot 70 Ms (MicroSiemens)
  • Helder-water: bv. Rio Tapojoz, Rio Xingu.
    - zuiver, helder tot blauwgroen van kleur.
    - afkomstig van rivieren die ontspringen in de bergen van Brazilië die bestaan uit oude geologische steenformaties. Dit zijn harde gesteenten die geen erosiematriaal meer afgeven, daardoor weinig of geen slib en opgeloste stoffen in het water.
    - ph 4,4 tot 6,6 en geleidbaarheid 15 tot 30 Ms
  • Zwart water: bv. Rio Negro, Rio Cururu.
    - troebel roodachtig tot helder zwart van kleur.
    - afkomstig van rivieren uit het noorden die ontspringen op het Amazoneplateau. Zij stromen door de oerwouden waar ze door de grote hoeveelheid organisch materiaal aangezuurd worden en ook hun donkere kleur bekomen.
    - ph 3,8 tot 4,9 en geleidbaarheid 15 Ms.

Ecologie en visgemeenschappen

Ecosystemen zijn ingewikkelde systemen tussen de organismen van verschillende biotopen qua fauna en flora en niet in het minst de mens. Dit wil zeggen dat het uitzicht van bepaalde gebieden het gevolg van bepaalde ecosystemen die dan ook resulteren in bepaalde biotopen, met daartussen vele overgangsgebieden.

Men onderscheid 2 hoofdtypen van watersystemen:

  1. Het hoofdstroomgebied van de Amazone zelf.
  2. Een grote groep van seizoenrivieren die een eigen fauna hebben maar die verbonden zijn, of zijn geweest met het hoofdstroomgebied.

1) Het Amazonegebied.

Het grootste rivierensysteem op aarde, met een oppervlakte van 6,5 miljoen vierkante km. De monding is 400 km breed en het zoete water is in de Atlantische oceaan nog tot op 100 km waar te nemen. Het is (was) bijna volledig met tropische wouden bedekt.
Het is eigenlijk een afvoerbekken van 1100 grote rivieren die samen 65% van al het zoet water op aarde bevat. De Amazone zelf ontspringt als smeltwater in de toppen van het Andesgebergte op 5200m hoogte in Peru. Op zijn 6400 km lange tocht naar de Atlantische oceaan storten er zich honderden stromen en rivieren in de Amazone. Nadat de Rio Negro in de Amazone stroomt duurt het nog 80 km voordat het zwarte water van de Rio Negro zich volledig heeft gemengd met het witte water van de Amazone en er geen kleurverschil meer te zien is.
Men kan zeggen dat in het gehele gebied dezelfde soorten vis of nauw aanverwante soorten voorkomen. In de hoofdrivieren is de populatie-dichtheid klein, maar neemt toe naarmate men meer naar de randen, zandbanken, eilanden en kleinere zijrivieren gaat. Hetzelfde kan gezegd worden van de grootte van de vis; groter in de hoofdrivieren, kleiner naar de randen en de kleinere rivieren en beken.
Twee maal per jaar is er een regentijd, dan treden de beekjes, stromen en rivieren uit hun oevers en overstromen het rand-oerwoud. Dan kan het waterniveau stijgen met 13 meter! Dit is voor de vissen de belangrijkste periode van het jaar, omdat dan de massale paring-migratie plaats heeft. Veel vissen trekken dan naar de overstroming-gebieden omdat er veel voedsel voor het toekomstig jongbroed zal beschikbaar zijn. Inderdaad is het duidelijk dat de droge gronden die plotseling of in korte tijd wordt overstroomd, een enorme verscheidenheid aan voedselbronnen vormen. De landbevolking zoals insecten, wormen, slakken en dergelijke worden verrast door het stijgende water, maar ook de vegetatie zal voor een groot deel rotten, waardoor bacteriën ontstaan die als voedsel dienen voor de lagere voedselketen; namelijk alle soorten kleine kreeftachtigen die de droge tijd hebben overleefd als cysten. voor de vissen vormen de overstroming-gebieden de ideale plek om zich voort te planten. Na de regentijd veranderen woeste rivieren terug in hun normale beddingen en worden terug kabbelende beken, waar hier en daar grote poelen ontstaan die soms uitdrogen. Als het water zakt moeten de vissen uit de overstromings-gebieden zich terugtrekken naar de hoofdstromen omdat de rottende vegetatie snel alle zuurstof verbruikt, alleen vissen met hulp-ademhalingsorganen kunnen verder leven. Ook wordt de waterstand voor grotere vissen al te laag.

Varzea of spaarbekkens

Deze worden gevormd als lagunen in de overstroming-vlakten (soms 100 km groot) een soort meanders zoals in onze rivieren. Daar wordt het sediment van het water afgezet en stroomt het water na het bezinksel te hebben afgezet als een klaarder water rivier terug verder. Daar vindt men een zandige voedselrijke bodem voor planten en is er ook een rijke groei van water- en drijfplanten. Op deze watervlakten worden, door het voedselrijke water, enorme grote groepen drijfplanten gevormd en samen met grassen en kruiden tot hecht-drijvende matten gemaakt. Met de vloed worden soms stukken begroeiing losgeslagen welke dan "drijvende weilanden" vormen.

Floating meadows of drijvende weilanden.

Deze kunnen verschillende kilometers groot zijn. Na verloop van tijd vormt er zich een grondlaag die dikker kan zijn dan 1 meter. Deze drijvende eilanden onderhouden een grote verscheidenheid aan dierlijk leven. Ook aan de onderkant van deze drijvende eilanden in het water dus vindt men een onvoorstelbare rijke fauna en flora. Men vindt er kleine karperzalmen, meervalsoorten tot grote cichlidesoorten.

2) Seizoenrivieren.

Het grootste gebied van de seizoenrivieren zijn noordelijk van de evenaar t.t.z. de savannegebieden van Guinea, Venezuela en Brazilië. In tegenstelling tot de woudgebieden van de kuststrook is er in het binnenland in de savannegebieden slechts een grote regentijd. Daar ook wordt het gehele gebied overstroomd, maar slechts met een niveauverschil van 1 tot 2 m. De meeste rivieren staan op dat ogenblik met elkaar in verbinding. Na de regen droogt alles zeer snel op .

Conclusie

Het is niet mogelijk om ook maar een gedeelte van Zuid-Amerika te beschrijven zonder een aantal lijvige boeken te produceren. Maar ik zou iedere aquariaan met deze algemene gegevens willen duidelijk maken dat de Zuid-Amerikaanse vissen die we houden tegen een stootje kunnen. Dat zij gewoon zijn om regelmatig van waterkwaliteit te veranderen, zeker gedurende het regenseizoen. Dat de 3 watertypes waarvan sprake uitersten zijn en dat er vele overgangsgebieden zijn, met honderden waterkwaliteiten en temperaturen die daar tussen liggen. Dat bijna alle vissen die we houden ook in die verschillende temperaturen en waterkwaliteiten kunnen leven (of misschien overleven). Het is misschien ook duidelijk waarom door het grote niveauverschil (tot 13m) in het grote regenseizoen, wanneer de grote paartijd begint en het water zachter en zuurder wordt, wij ook in onze kweekbakken zachter en zuurder water moeten hebben om sommige soorten tot kweken aan te zetten.

Dat bij de inrichting van onze aquaria er eigenlijk geen wetten bestaan omdat er plaatsen zijn met uitsluitend rotsen zonder planten, dat er zandbanken zijn met vallisneria en geen kienhout, dat er bosbeken zijn vol afgevallen blad en takken waar de bladeren nog aan hangen en die vol staan met echinodorus-soorten.

Bij de inrichting van zijn aquarium moet men de gekozen waterkwaliteit kunnen handhaven en toch zeker de minimum basisbegrippen aanhouden voor de inrichting zoals:

  • Voor Zuid-Amerika pH 6,5 tot 7, zacht tot middelhard water (zelfs mogelijk voor discus). Het is onverantwoord dat er aquarianen zijn die gewoon water uit de kraan nemen zonder een flauw idee te hebben van die watersamenstelling. Het moet toch voor iedereen duidelijk zijn dat een vis zich het best voelt en de mooiste kleuren heeft in een omgeving waaraan hij zich gedurende miljoenen jaren heeft aangepast.
  • Hoge vissen hebben hoge aquaria nodig (Scalare, Discus).
  • Kleine soorten zalmen hebben veel begroeiing nodig en ook open zwemruimte.
  • Meervallen en Apistogrammasoorten moeten de beschikking hebben over veel schuilplaatsen en een dichte beplanting.
  • Hoe groter de vis hoe groter het aquarium.

Gedetailleerde informatie kan men opzoeken in gespecialiseerde lektuur in onze bibliotheek, maar vergeet nooit het eigen gezond verstand te gebruiken, zichzelf vragen te stellen en zonder aarzelen vragen te stellen aan clubleden.

Aanmelden