Text Size

Starten met een aquarium DEEL 6

Starten met een aquarium
Deel 6 - Afrika.
Auteurs Johan De Coninck (Aquarianen Gent), Freddy Lievens en Lieven Valcke.
clubblad januari 2001

Nadat ons aquarium enige tijd is opgestart, kunnen we vissen inbrengen. In dit deel bespreken we Afrikaanse soorten.

 

1. Tanganyika.

Het Tanganyikameer is één van de drie grote meren van Afrika en het diepste meer van de wereld en herbergt grotendeels cichliden. Veel van de daar voorkomende vissen zijn endemisch, wat wil zeggen dat ze alleen daar en nergens anders ter wereld voorkomen. Om met zo'n aquarium te beginnen moet men niet echt een expert zijn in de aquaristiek. Toch is dit aquarium ook niet het gemakkelijkste; men moet met enkele zaken rekening houden, vooral met het gedrag van deze vissen.

Het water van het Tanganyikameer is helder, vrij hard en alkalisch, wat een groot voordeel is voor de beginnende liefhebber want dit water vloeit rechtsreeks uit uw kraan. De watersamenstelling is bij benadering als volgt: pH 7 tot 9; 12 tot 18 DH; 25 tot 28 graden Celsius. Tanganyikacichliden houden ook van zuurstofrijk water.

Kienhout is hier wel uit den boze. Hier zijn schelpen en kalkstenen wel toegelaten omdat de zuurtegraad groter is dan 7. Men mag geen grind gebruiken maar zand als bodembedekking want veel van deze vissen zijn echte bodemwoelers, dus neemt men heel fijn wit zand als bodembedekking. De bak mag redelijk sterk belicht worden in tegenstelling met vele andere bakken.

Planten horen in feite niet thuis in een Tanganyikabak. Toch worden er soms uit esthetisch oogpunt enkele planten in zo'n aquarium geplaatst. Hiervoor neemt men planten met sterke bladeren zoals bv. Vallisneria en Anubias.

Tangayikacichliden kan men in vier grote groepen verdelen. De rotsbewoners, de cichliden van de open wateren, de zandcichliden en de schelpbewoners. Het mooiste is dat men meer dan 1 groep in een bak kan houden, doch daarvoor is een zeer groot aquarium nodig. Niet alle groepen kunnen samen gehouden worden in een bak. Schelpbewoners en zandcichliden zijn zo een voorbeeld, 1 van de 2 zal het zeker ontgelden en veelal zijn het de zandcichliden die het onderspit moeten delven.

* Frontosa (Cyphotilapia frontosa):

Een grote cichlide (30 cm) die alleen in grote aquaria kan gehouden worden. Ze zijn zwart-wit gestreept en hebben een echte bultenkop. Het is een vis van de open wateren en men houdt 1 mannetje en meerdere vrouwtjes. Men houdt ze wel in groepen en toch zijn het geen schoolvissen want elke vis is een individu op zichzelf dat geen rekening houdt met de andere vissen. Door hun grootte hebben ze ook een groot aquarium nodig (minimum 150 cm lang) en in een bak van 750 liter kan men al 10 exemplaren houden. Als voedsel geeft men ze garnalen, mosselen en regenwormen. Het is een van de weinige Oost-Afrikaanse cichliden die men mag voeren met rood vlees.

* Prinses van Burundi (Neolamprologus brichardi):

Deze prachtige 10 cm groot wordende cichlide leeft paarsgewijs en verdedigt een territorium. De territoria van deze vissen liggen dicht bij elkaar waardoor men een groep bekomt in het aquarium. Behalve met de Neolamprologus buescheri houdt men de prinsesjes niet met andere Neolamprologussen. Het is zelfs aan te raden om enkel en alleen prinsesjes in een bak te houden want als deze visjes beginnen te kweken, eisen ze het volledige aquarium op. De prinses is een holenbroeder dus moet men voor elke vis 1 hol voorzien. Opmerkelijk aan deze soort is dat de jongen van een koppel samen met de ouders het nieuwe jongbroed verdedigen. Cyclops, daphnia, garnalen en mysis staan op hun dagelijks menu.

* Oogvlek-slakcichlide (Lamprologus occelatus):

Zoals de naam het zegt is dit een slakkenhuiscichlide. Als slakkenhuizen neemt men de huizen van de wijngaardslak. In de natuur vindt men deze slakcichliden in de huizen van Neothauma-slakken. Ze worden 6 cm groot en men voorziet minstens 1 huis per dier. Een koppel bestaat uit 1 mannetje en meerdere vrouwtjes. Als voedsel nemen ze vooral cyclops, enchytraeën en kreeftjes. Nog een andere schelpbewoner is de Neolamprologus brevis.

* Tropheus moorii:

Is een rotsbewoner die men het best in groep houdt (8 tot 10 dieren) met dien verstande dat men nooit meer mannetjes dan vrouwtjes mag houden. De mannekens kunnen wel agressief zijn tegenover hun vrouwen indien deze niet willen paren. Het geslacht is moeilijk te onderscheiden daarom koopt men deze vissen best bij een liefhebber-handelaar. Deze vissen mogen absoluut geen rood voer krijgen want dit kan de dood tot gevolg hebben. Wel eten ze garnalen mix, spirulina, cyclops en mysis.

* Gele zandcichlide (Xenotilapia flavipinnis):

Men koopt deze vis aan in groep en daaruit zullen er paren ontstaan die dan elk hun eigen territorium zullen opeisen. Men zorgt er wel voor dat men meer dan 1 koppel heeft. Ondanks alles kan er heel wat gekibbel zijn tussen de 2 seksen wat heel normaal is. Cyclops en mysis stellen ze zeer op prijs.

 

2. Malawi-aquarium.

Het Malawimeer is zo'n 600 km lang, 80 km breed en 700 m diep. Met een oppervlakte van 31000 vierkante km is het groter dan ons Belgenland (30000 vierkante km). Men kan de Malawicichliden indelen in 3 groepen. Ten eerste de Mbuna's (oftewel rotsbewonende cichliden), Utaka's (of de cichliden van de open wateren) en de keizersbaarzen (Aulonocara). Een Malawi-aquarium stelt zo ongeveer dezelfde eisen als een Tanganyika-aquarium (pH tussen 7,5 en 8,5). Men zorgt ervoor dat er stroming in het water is en dat men goed filtert omdat er in een Malawibak, zeker met Mbuna's, veel vissen worden gehouden (dit opdat de vissen geen territorium zouden kunnen vormen). Als bodembedekking neemt men het best rivierzand.

A) Mbuna:

Voor Mbuna's (rotsbewoners) neemt men als achterwand een rotspartij die tot de wateroppervlakte reikt waardoor de vissen zich kunnen verschuilen. Maanrotsen zijn zeer geschikt om de achterwand mee te bouwen. Men haalt ze het best in een tuincentrum omdat ze in de aquariumwinkel veel te duur zijn. Men laat de rotsen bealgen vooraleer men ze in het aquarium plaatst. Voor beplanting kan men javavaren, vallisneria, hoornblad en Anubias-soorten die op rotsen groeien gebruiken. De mannetjes van Mbuna's zijn territoriumhouders waarvan men het best niet meer dan 2 van dezelfde soort in een aquarium houdt. Dit geldt ook voor vissen die de zelfde broedkleur hebben. Deze worden aanzien als de zelfde soort met alle problemen als gevolg. Mbuna's houdt men het best niet met Utaka's (cichliden van de open wateren) en ook niet met zandcichliden van de geslachten Lethrinops en Nyassachromis. Mbuna's zijn vissen die dienen als voedsel voor de Utaka's. Worden ze niet opgegeten dan zullen uw Utaka's gestresseerd geraken door het actief karakter van de Mbuna's. Als voedsel geeft men deze dieren garnalenmix, droogvoer (zonder dierlijke producten) cyclops, mysis, daphnia en spirulina houdende vlokken. Rood vlees zoals muggenlarven, runderhart, enz.. is zeker uit den boze. Dit omdat algenetende cichliden zoals deze Malawicichliden een zeer lang darmkanaal hebben. Het voedsel ligt dan te rotten en te gisten vooraleer het verteerd wordt, wat de dood tot gevolg heeft.

Er wordt gezegd dat in het Malawimeer op 1 vierkante m wel 200 tot 300 Mbuna's zitten. Men moet in een aquarium van 150 x 50 x 50 cm bij het opstarten zeker een 30 tot 40-tal vissen inbrengen. Een volwassen exemplaar kost in de winkel al gauw 300 fr.. U begrijpt dat dit een dure onderneming is. Daarom is het beter dat U jonge vissen koopt bij een liefhebber/kweker. Enkele soorten Mbunas zijn:

* Metriaclima zebra: Zeker voor zorgen dat men maar 1 soort zebra in het aquarium plaatst of de wet van de sterkste geldt.

* Melanochromis auratus: Deze vis houdt men het best in een kleine school met 1 dominante man. Het verschil tussen een Melanochromis en een Pseudotropheus is dat bij de eerstgenoemde soort de strepen horizontaal liggen en bij de Pseudotropheus liggen deze verticaal.

B) Utaka:

Dit zijn zeer vreedzame vissen waarvan de vrouwtjes scholen vormen. Door hun zacht karakter zijn ze niet te houden met de hierboven beschreven Mbuna's. Utaka's zijn wel groter dan de Mbuna's (van 20 tot 25 cm en meer) waardoor ze ook een groter aquarium verlangen. De bodem moet van fijn zand zijn met daarop enkele solitair geplaatste rotsen. Men houdt wel wat vrije zwemruinte over voor deze vissen. in het open ruimte plaatst men enkel platte keien die als paaiplaats geapprecieerd zullen worden. Enkele Utaka's:

* Labidochromis: Labidochromis zijn kleine cichliden die men het best houdt met meer dan 1. Ze eten kreeftachtigen, insecten en larven.

* Calipterus: een van de weinige cichliden die ook in de rivieren gevonden wordt. Dit komt omdat deze vis de overgang van hard alkalisch water naar zacht lichtzuur water zonder problemen aankan. Die overgang is een natuurlijke barrière voor de cichliden in het meer.

* Haplochromis livingstoni: Een vis met een aparte jachttechniek. Kan als voor dood op de bodem liggen. Kleine vissen gaan erop af en worden dan zelf als maaltijd gebruikt. In het aquarium is dit gedrag niet altijd duidelijk.

C) Keizerbaarzen:

* Aulanocara nyassae - Keizerbaars

Dit zijn zeer prachtige vissen die tot het geslacht Aulanocara behoren. Ze kunnen samengehouden worden met Utaka's, maar niet met Mbuna's.

Deze vissen hebben op de kop een reeks kleine gaatjes. Dit is geen ziekte maar een soort sensor. Met die gaatjes zijn ze in staat om de kleinste trillingen op te vangen in het zand, trillingen afkomstig van voedseldieren. Ze duiken dan met de kop het zand om het voedsel tot zich te nemen.

Aulanocara's hebben grote ogen omdat ze op duistere plaatsen leven in het meer. Dit heeft tot gevolg dat men het aquarium niet te sterk mag belichten in tegenstelling tot de andere cichliden van het meer.

 

3. Victoriacichliden.

Het Victoriameer is, met zijn 69000 vierkante km, het grootste meer van de drie slenkmeren. De vissen uit dit meer zijn niet zo groot en dus niet geschikt als consumptievis. Daarom werd de nijlbaars ingevoerd. Deze kolos is niet alleen een goede consumptievis maar consumeert zelf ook graag en het liefst de kleine cichliden. Vermits 95% van deze kleine cichliden endemisch zijn, zijn ze met bestaan bedreigt of al uitgestorven. Het meer is niet zo helder en de watersamenstelling is als volgt: pH tussen 7 en 9; DH tussen 2 en 8 en de temperatuur wordt gehouden tussen de 21 en de 27 graden Celsius. Als bodembedekking neemt men zand in plaats van grind. Van deze meerbewoners is er nog niet zoveel bekend met gevolg dat bijna alle vissen van het Victoriameer tot het geslacht Haplochromis behoren. Daarom maakt men een indeling volgens het eetgedrag. Over het algemeen geldt hier de regel dat men ze niet paarsgewijs moet houden maar groepsgewijs.

A) Rotsbewonende algeneters:

Deze hebben wat weg van de Mbuna's van het Malawimeer en voor iedere man houdt men 4 vrouwen. Indien men meer dan 1 soort in dezelfde bak wil houden, moet deze bak meer dan 2 m lang zijn. De bodem is van zand en de rotswand moet het wateroppervlak bereiken. Plantaardige kost is van levensbelang voor deze cichliden. Voorbeelden van zulke vissen zijn Haplochromis nigricans en Haplochromis "Blue scraper".

* Haplochromis "Flameback":

Deze 10 cm groot wordende cichlide bezet het meer in de open wateren. Ze zijn niet bijzonder agressief en worden daardoor het best niet gehouden met de hiervoor vermelde groep en grotere soorten. Men voorziet in het aquarium wat schuilplaatsen voor de vissen, wat kienhout, donker zand en een donkere achterwand. Op het menu staan vooral algen, garnalenmix, zwarte en witte muggenlarven maar zeker geen rode muggenlarven.

4. Killy's.

Killy-vissen zijn seizoenvissen die in een onverwarmd aquarium kunnen gehouden worden, indien dit aquarium in een verwarmd lokaal geplaatst is (temperatuur tot ong. 20 °C). Het is daarom ook aan te raden om met deze vissen te kweken. Er zijn echter ook soorten die meer dan een jaar kunnen worden.

Killy's zijn echte overlevingskunstenaars. Hun natuurlijk habitat zijn kleine poelen en die komen elk jaar droog te staan. De eieren van deze vissen kunnen die droge periode doorstaan die bij de eerste regenvlaag uitkomen. Dit fenomeen kan men ook waarnemen in uw aquarium thuis. Tussen het kienhout brengt men turfvezels aan om de vissen tot eiafzetting te dwingen. Na een week haalt men de turf voorzichtig weg en men bewaart ze op een lichtvochtige plaats in het donker (tussen krantenpapier, temperatuur ong. 12 °C) en zo kan men de eieren maandenlang bewaren. Als de volwassen exemplaren sterven, dan plaatst men het turf terug in de bak en de eieren zullen uitkomen.

Ze verlangen een dicht beplant aquarium met weinig stroming, aangevuld met kienhout. Omdat ze weinig stroming verdragen is het best dat men veel zuurstofplanten in zo'n aquarium plaatst. Het zijn ook goede springers dus opgelet! Zelfs bij het voederen kunnen ze al uit het aquarium gesprongen zijn. Het licht mag niet te sterk zijn doch, halogeenverlichtingen zijn niet aan te raden. Kienhout en turf kan of moet in een killybak omdat de meeste soorten zacht en lichtzuur water verdragen (pH tussen 6 en 7).
De mannetjes kunnen agressief zijn tegenover elkaar en worden individueel in kleine bakken gehouden. Bij het balsen vertonen ze een indrukwekkend imponeringsgedrag.

Killyvissen verlangen uitsluitend levend- of diepvriesvoer maar houden niet van droogvoer.

* Aphyosemion:
Het verspreidingsgebied van deze vissen ligt in West-Afrika tussen de evenaar en de Sahara. Men voorziet deze mannetjes van meer dan één vrouwtje, anders worden deze wel eens doodgejaagd.

* Aplocheilus:
Deze kil'€™s hebben hun verspreidingsgebied in India en Zuidoost-Azië. Niet alle Killy's komen uit Afrika, behalve in Australië en in Arctische gebieden komen deze vissen bijna over de ganse wereld voor.

* Epiplatys:
Eén van die killy's die enkele jaren oud kunnen worden. In tegenstelling tot vele anderen leggen ze hun eieren af tussen de wortels van de drijfplanten.

* Rivulus: Nog zo'n geslacht dat niet in Afrika voorkomt. Men vindt ze vanaf het zuiden van de V.S., via Midden-Amerika tot halverwege Zuid-Amerika. Ze zijn verdraagzamer dan de meeste killy's en verdragen ook een lichte stroming in het water. Het zijn oppervlakte vissen die een grote tolerantie hebben qua watersamenstelling.

* Roloffia:
Dit geslacht heeft verbazingwekkend veel overeenkomsten met deze van het geslacht Aphyosemion. Hun gedrag, lichaamsbouw en verspreidingsgebied is nagenoeg identiek, behalve dat ze ietsje groter zijn.

5. West-Afrikaanse riviervissen.

Behalve drie grote meren bezit Afrika ook vele rivieren met zeer interessante vissen. Ook in deze rivieren zitten er cichliden; veel van deze cichliden kunnen samengehouden worden met andere vissen. In tegenstelling tot de merenbakken mag men hier wel kienhout in de bak aanbrengen. De meeste soorten verdragen een zuurtegraad die ligt tussen de 6 en 7,5 pH; de hardheid mag liggen tussen de 8 en 18 DH. In dergelijk aquaria is de keuze aan planten bijna onuitputtelijk, ga wel goed na of ze wel thuis horen in een Afrikaanse rivierenbak. Voorbeelden zijn: Cabomba, congacplant (Ammania), tijgerlotus.

* Hemigrommus bimaculatus:
Een 10 cm grote en meer dan prachtige cichlide. Deze vis is enorm agressief (zeker tegenover soortgenoten) en daarom word hij het best gehouden met andere even grote cichliden (alhoewel hij daar ook niet bang voor is) anders gebruikt hij zijn gezellen als voedsel. Het aquarium bevat het best stevige planten, holen, kienhout en stenen. Ze verdragen het best zacht en lichtzuur water en lusten zoals eerder gezegd visjes en ook nog daphnia en cyclops.

* Congozalm (Phenacogrammus interruptus):
Een vis die men in veel gezelsschapaquaria vind, doch bij de onwetende liefhebber zijn ze eerder zeldzaam. Deze vissen zitten in handelszaken niet op kleur maar, in een goed ingericht aquarium tonen deze vissen de allermooiste kleuren. Deze vis is niet moeilijk te houden maar stelt toch enkel eisen aan de inrichting. Hij vraagt een licht troebel aquarium waar stroming is en veel zwemruimte. Deze vis houdt men niet per stuk maar in scholen. Dit is geen cichlide.

* Kersebuikcichlide (Pelvicachromis pulcher):
Een cichlide die men zeer veel vindt in gezelsschapaquaria. Ze zijn niet alleen mooi om te houden, ze kweken ook zeer gemakkelijk. Veel planten, holen een watersamenstelling van lichtzuur tot alkalisch water met een zachte tot matig harde hardheid voldoet uitstekend. Als voedsel nemen ze cyclops, daphnia, regenwormen, mosselen en garnalen.

* Bultkopcichlide (Steatocranus casaurius):
Deze vis stelt niet al te veel eisen, enkel holen en geen meerdere paren en ze zijn al tevreden. Het best worden ze gehouden met congozalmen. De congozalmen vertoeven in de hogere waterlagen en zien als eerste de predatoren. Deze zwemmen dan weg en zo weet deze vis dat er gevaar dreigt en kan die ook vluchten. In een bak zonder congozalmen kan het goed gebeuren dat deze vissen zich niet tonen omdat ze denken dat er gevaar dreigt. Alhoewel ze zich meer op de bodem van het aquarium bevinden, zijn het ook goede springers. Er wordt gezegd dat hij ook algen eet en slakken.

* Tilapia joka:
Deze worden 20 cm groot en vergen ruime holen. Voorziet men het aquarium niet met holen, dan zullen de vissen zich verbergen langs de achterwand. De planten voor dit aquarium zijn het best van de stevige soort. Bij een te sterke verlichting paniekeren de vissen heel snel.

6. Meervallen.
Minder dan in Zuid-Amerika komen er in Afrika ook meervallen voor die we in aquaria kunnen houden. Ze behoren tot het geslacht Synodontis en komen zowel in het Tanganjikameer voor of in de rivieren van Afrika.

* Synodontis angelicus:
Meerval dat voorkomt in de Afrikaanse rivieren van het kongo-gebied. Hij wordt zo'n 24 cm groot en kan soms agressief zijn tegenover soortgenoten.

* Synodontis petricola:
12 cm groot wordende meerval dat in de rotsbiotopen leeft van het Tanganjikameer. Het is dus een geschikte vis om bij uw rotsbewonende cichliden te houden. Men houdt ze wel het best in kleine groepjes. Deze vis is een broedparasiet wat wil zeggen dat ze hun eieren, na bevruchting, bij de eieren legt van de nietsvermoedende muilbroedende cichliden. De vrouwtjes van de cichliden nemen dan ook de eieren van de meerval mee in de muil en broedt ze dan ook uit. Nadat de jongen van de meerval zich ontwikkelt hebben, doen ze zich tegoed aan de eieren van de muilbroedende cichlide om daarna zonder veel dank hun gastheer te verlaten.
.

Aanmelden