Text Size

Van schildpad tot Tanganyikacichlide

Van schildpad tot Tanganjika...
door Pascal Vlaeminck, clubblad november 97.

Of hoe liefhebberij een passie wordt, een streven naar groter en perfecter, zowel voor de liefhebber als voor de bewoners van het bakske. Een jaar of 25 geleden, ik was toen 10, mocht ik een eerste "bakske" zetten.

Het begon allemaal met die twee moerasschildpadjes. Een klein bakske van 40cm, een paar goudvisjes erbij en de start was gegeven.

Algauw kwamen er andere niet-warmtebehoeftige visjes bij, maar ook dat evolueerde en de schildpadjes moesten plaats ruimen voor "de vis". Een thermostaat, een eerste binnenfiltertje gevolgd door een " aan-de-bak-hangende buitenfilter ", en ik was verkocht... Vallisneria, Aponogeton, Cabomba. Een foto als achterwand, gekleurde isomo, een houten decordoos als achterwand, ik heb het allemaal meegemaakt.

Mijn interesse had zich intussen verlegd naar Xipho's, guppie's, collisa's, zebraatjes enz. Mini-kweekjes met voormelde soorten volgden elkaar op tot ik de "kribensis" kersebuikciclide in het oog kreeg. Mijn bakske was ondertussen met mij mee uit de kinderschoenen gegroeid en 80 cm geworden. Ik was toen zelf ongeveer 1 meter groter en 18-19 jaar toen de liefde voor het bakske zich stilaan verlegde naar wat buiten de huismuren te beleven viel.

Na een paar kweken met kribensis en enkele experimenten met andere cichlidensoorten zoals Julidochromis ornatus, besloot ik er maar definitief de brui aan te geven. Ik was toen in een zover gevorderd stadium dat ik in mijn 80-cm bak een houten cichlidenappartement (!!) ingericht had. Een houten bakje met verschillende onderverdelingen, alsof het een nagel- en vijzenbakje was, deed dienst als cichlidenbuilding-onder-water. Aan de voorkant een plankje ervoor met voor ieder "appartement" een aparte ingang van verschillend formaat. Het geheel werd afgewerkt met koraalblad en dan de bak in.

Ongelooflijk maar waar, de J. ornatus vermenigvuldigden zich in deze "getto-toestanden". Maar, nogal logisch, de natuur deed zijn werk en veranderde de woonst in een nogal vlug tempo van een -in-met-algen-begroeide, tot uiteenbrokkelende en uiteindelijk ineengestorte, houten "rots".

Toen werd het voor mij een aantal jaren helemaal stil rond onze liefhebberij. Een huwelijk en de start van onze zelfstandige slagerij konden mijn interesse slechts enkele jaren bevriezen.

Reeds van jongsaf aan was ik vastbesloten ooit een "reuzebak" te plaatsen en in '93 was het zover! Een hele muur werd gereserveerd voor mijn "bak van de Toekomst". Ik riep hulp in van de aquariumzaak waar ik voorheen klant was en de bak werd gelijmd als volgt:

Niet minder dan 3 meter lang, 60 cm hoog en 50 cm diep (ik kan niet dieper omwille van de structuur van ons huis) stond hij daar te pronken. Binnenin aan de twee zijkanten een biologische filter en ik was weer vertrokken..... .Alles in één, dat wel, maar op onderhoudsgebied bleek al vlug dat dit toch nog niet de juiste, of beter gezegd de handigste, formule was. De inrichting van toen, half maanrotsen, half lavastenen, is ondertussen gewijzigd wegens "niet natuurlijk". Ook hier gold het spreekwoord: al doende leert men".

De bevolking van het eerste uur:

  • een viertal princessen van Burundi.
  • zes Tropheussen waarvan 2 duboisi's, 2 moori's en 2 dubbelvlekken (niet echt professioneel zoals al vlug bleek!).
  • vier leleupi's.
  • vier Ancistrussen.

De princessen kweekten als de muizen. Van de ancistrussen heb ik één keer kweek ondervonden, maar na 14 dagen was van het vrij talrijke jongbroed niets meer te zien.

Een van de leleupi'¢s zette voortdurend eieren af maar deze bleven na een paar dagen beschimmeld achter. Waarschijnlijk geen mannelijk exemplaar in de buurt (?). Via een klant was ik ondertussen in contact gekomen met de Aquarianen Gent.

Op één van de vergaderingen in ons lokaal werd mij duidelijk dat mijn bak technisch absoluut niet perfect was. Het systeem van constante waterverversing leek mij een afdoend middel om het werk van water verversen wat eenvoudiger te maken. Alles werd aangepast waar mogelijk en weer was een stap in de goede richting gezet. Druppelsgewijs viel schoon vers water in mijn "mini-meer", en vloeide weer af via een zelf uitgevonden overloopsysteem.

Niet te geloven maar waar. Het verbeteren van de levensomstandigheden voor mijn beestjes, kende een reactie in de tegenovergestelde richting. Eén voor één stierven mijn vissen, voor mij zonder reden! Ik besloot toen maar hulp in te roepen van Romain, onze visspecialist ter zake.

Diagnose: een prachtig initiatief die constante verversing, slechts één groot probleem. De toevoerleiding die daarvoor gebruikt werd was van koper. Stel je voor, beetje bij beetje was ik mijn troetels aan 't vergiftigen!!! Veel water verversen en onmiddellijk de leiding vervangen was de boodschap.

Na wat heen en weer gepraat besloot ik toen met de hulp van enkele andere visvrienden het "hele zooitje" nog maar eens aan te passen. Alles moest eruit tot de zijwanden toe.

Glasspecialist Filip wist mij te overtuigen een gat in de bodem te boren (alsof 't was in de boter voor hem!), en onder mijn aquarium een bioloog te zetten.

Alles herplakt zoals nodig en terwijl hij droogjes stond, de achter- en zijwanden voorzien van een decoratieve schuimwand. Enkele honderden kilo's zand en grote maanrotsen vormden het decor zoals het er nu nog altijd bijstaat.

Met wat entmateriaal van goed draaiende bakken en veel geduld stond de bak na een veertiental dagen klaar om bevolkt te worden.

Romain (weeral) had mij volgende populatie gesuggereerd:

  • een tiental tropheussen;
  • vier Julidochromi regani;
  • vijf simili's.

Zelf kocht ik bij Filip nog een dertigtal jongen van Cyprochromis leptosoma en bij Etienne zes melagonesi's kwestie van de bodem een beetje om te woelen. Om het geheel niet al te veel te laten overwoekeren van algen kwamen tenslotte nog een paar Ancistrussen de familie vervolledigen.

De vissen groeiden als kool en algauw liet de eerste nakweek zich zien.

De simi's waren precies al zo goed op elkaar getraind dat ze zo goed als geen aanpassingsperiode hoefden. Omdat deze visjes nogal een groot territorium vormden (bijna 1/3 van de bak), besloot ik deze te verhuizen naar een kleinere bak, alleen voor hen. Meteen stond er een tweede bak in onze huiskamer (weer één van 80 cm). Ook de lepto's hebben zich al meerdere keren vermenigvuldigd. Voor die baby's heb ik een kraamkliniek ingericht boven mijn grote bak. Een dompelpomp en een eenvoudige overloop voorzien deze bak voortdurend van vers gefilterd water uit de bioloog. De overloop komt dan weer terecht in het "vuilcompartiment". Een derde bak is ingericht!

Voordelen: water, licht, warmte en verversing lopen identiek met de grote, wat overplaatsen van jongen mogelijk maakt zonder gewenning.

Ook de melagonezen laten zich niet kennen en hebben reeds verschillende keren afgezet, maar totnogtoe niets "afgewerkt".

Van de regani's daarentegen zijn al verschillende nakomelingen bij ander liefhebbers terechtgekomen. Bleef nu enkel nog wachten op tropheusbab''s.

Met het volwassen worden van de bemba's bleek ik een toch niet ideale m/v -verhouding te bezitten. Zes mannen strijden voortdurend om de gunst van drie vrouwen (één Tropheus is op volwassen leeftijd gestorven, ze moesten dus met negen verder...). De vrouwen hadden blijkbaar keuze teveel en konden niet beslissen (?).

Geduld bleek het enige advies van Romain.

En zie... na ongeveer anderhalf jaar werden de eerste eieren afgezet. Twee dagen nadien was van krop niets meer te bespeuren! Vrij snel daarop volgde een tweede vrouwtje het goede voorbeeld. Het was uiteindelijk mijn "achterkomerke" dat het eerst met jongen voor de dag kwam. Ze heeft ze niet minder dan zeven (!) weken opgekropt maar daarna uitgespuwd zonder er nog naar om te kijken. Ik heb trouwens nog bij geen enkele geboorte enig vertoon van broedzorg gemerkt, '€˜t zijn blijkbaar geen moeders meer zoals vroeger...

Op dit ogenblik ben ik wel de trotse bezitter van een flink aantal jongen van diverse formaten. Ze blijven allemaal bij hun ouders en worden goed opgenomen in de groep.

Mijn 80 cm bak werd ondertussen heringericht en bevolkt met zes eretmodussen en zes flavipinissen. Daar zwemt momenteel van iedere soort een toekomstig moedertje bij.

We zijn momenteel met verlof en mijn diertjes worden goed verzorgd door een familielid. Ik ben al benieuwd naar het resultaat van de zwangerschap.

Zo zie je maar, het bloed kruipt waar het niet gaan kan en eens interesse, altijd interesse is hier zeker van toepassing.

Ik had de oproep eens een artikel te schrijven altijd serieus genomen, maar nog nooit de tijd gevonden dit te doen. We zijn nu vijf jaar (en evenveel ervaring verder) en ik besloot er nu toch vooraf eens werk van te maken. En gezien we nu toch met "vakantie" zijn, en lekker lui aan 't zwembad niets liggen te doen...

Nog enkele technische gegevens:

  • Behalve de bioloog beschik ik ook nog over een droogfilter boven het aquarium. Deze voorziet het water van veel zuurstof en neutraliseert eveneens de aanwezige nitraten.
  • Een electronische lichtdimmer zorgt ervoor dat dag en nacht zo natuurgetrouw mogelijk in elkaar vloeien.
  • Het voedingspatroon voor mijn visjes: 's middags spirulina en 's avonds diepvriesvoer ( artemia, cyclops, witte muggenlarven en mysis).

Liefhebbers die mijn verhaal wensen te optimaliseren, kunnen hun suggesties altijd kwijt op onderstaande coördinaten. Aarzel dus niet mijn beestjes eventueel een nog beter leven te geven.

Visrijke groeten

PS. We zijn ondertussen terug van reis, maar geen eretmodus- of flavipinnisbaby's te zien. Misschien is er iets misgegaan bij het overgeven van de jongen (?)

Aanmelden