Text Size

Aponogeton madagascariënsis - gaasplant

DE GAASPLANT. Aponogeton madagascariënsis
door Christel Kasselmann uit T.I. nr 83.

 

Aponogeton_madagascariensis.jpg

Aponogeton madagascariënsis is vanwege de ongewone gaasachtige structuur van haar bladeren sinds vele jaren een van de populairste aquariumplanten.
Ze wordt regelmatig van Madagascar uitgevoerd, maar slechts zelden lukt het om ze langdurig en op bevredigende wijze in het aquarium te houden. Tientallen jaren lang werd de plant onder de naam Aponogeton fenistralis gehouden. Jammer genoeg moest de naam in Aponogeton madagascariensis veranderd worden, omdat de eerste beschrijving van de plant al onder de naam Uviranda madagascariensis plaatsvond.

Op grond van verschillen in de gaasachtige structuur van de bladeren en de knollen werden in de loop der tijd meerdere soorten en variëteiten beschreven, die echter door de bewerker van het geslacht Aponogeton, niet worden erkend. Deze heer "van Bruggen" is van mening, dat er weliswaar een grote verscheidendheid aan variaties in deze kenmerken is, maar dat het echter op het ogenblik, omdat er tussenvormen optreden, niet gerechtvaardigd is, de verschillende verschijningsvormen de status van soorten of vari_eteiten te verlenen.

Hij geeft toe dat toekomstige intensieve onderzoekingen in de natuurlijke biotopen tot een tegengesteld resultaat kunnen leiden. In feite verzorgen we in het aquarium twee op het eerste gezicht zeer verschillende gaasplanten, een met smalle bladeren en een fijne gaasstructuur en een met brede bladeren en een grove gaasstructuur.
Overgangsvormen tussen deze beide gaasplanten heb ik in het aquarium tot nu toe niet kunnen waarnemen.

Interessante informatie, die door andere schrijvers blijkbaar tot nu toe over het hoofd werd gezien, geeft in dit verband ook Kiener (1963). Naast de beide hiervoor vermelde vormen beschrijft Kiener zowel een reuze- als een dwergvorm.

GAASPLNT.gif

De bladeren van de reuzegaasplant zouden een lengte van 100 centimeter en een breedte van 18 centimeter bereiken. De planten hebben een zeer beperkt verspreidingsgebied (vindplaats : Niagarakely) en groeien in tegenstelling tot de normaal gesproken zeer zonnige vindplaatsen van de A. madagascariensis in volledig in de schaduw liggende bosbeken. De uiterst zeldzame dwergvorm (vindplaats : Cap Masoala) bezit daarentegen bijna ronde bladeren met een weinig uitgesproken gaasstructuur.
Ook van Bruggen vermeldt deze variant, waarvan de bladeren slechts 3-4 cm lang en 1-2 cm breed worden.
Hieronder de verschillende bladvormen van Aponogeton madagascariensis.

  1. Smalbladige vorm met fijne structuur (in cultuur).
  2. Reuzevorm.
  3. Breedbladige vorm met grove structuur (in cultuur).
  4. Dwergvorm.

Deze gegevens duiden op de mogelijkheid dat er verschillende variëteiten bestaan.

Alles bij elkaar zijn er echter nog vele vragen onbeantwoord gebleven, die slechts door de ecologische aspecten erbij te betrekken kunnen worden beantwoord.

De volgende vragen dringen zich op:

  1. Zijn er werkelijk overgangen tussen de verschillende vormen op hetzelfde natuurlijke biotoop te vinden?
  2. Hoe zien de ecologische voorwaarden van de in de huidige biotopen verschillend uitziende populaties eruit?
  3. Zijn de verschillende kenmerken werkelijk niet genetisch vastgelegd, maar door het milieu bepaald (onderzoek naar kruisingen)?

Pas als deze vragen afdoende beantwoord zijn, kan men definitief beslissen of de afbakening van de variëteiten of ondersoorten binnen de soort gerechtvaardigd is.

In het volgende zou ik graag een bijdrage willen leveren tot de oplossing van deze vragen en twee biotopen van een vorm van A. madagascariënsis, die door smalle bladeren en een weinig uitgesproken gaasstructuur wordt gekenmerkt, beschrijven.

Vooraf zullen de belangrijkste bekende informatie, over de ecologie van de gaasplanten worden samengevat. Aponogeton madagascariënsis komt voor in Centraal-, West- en Oost-Madagascar, vermoedelijk op het Grote Comoreneiland als op Sint-Mauritius, waar ze is ingevoerd. Ofschoon de gaasplant het grootste verspreidingsgebied van alle Aponogeton-soorten op Madagascar heeft, is er nauwelijks iets vermeld over haar ecologie. De weinige gepubliceerde gegevens hebben we voornamelijk te danken aan de heer Josef Bogner van de Botanische tuin in München, Duitsland.

Bogner (1968-1970) en van Bruggen (1968a, 1968b, 1985) vermelden de volgende gegevens over de levensomstandigheden in de natuurlijke biotopen, die hier samengevat worden weergegeven. De planten groeien in stromend water, in stroomversnellingen en onder watervallen. Verder worden ze op bazalt en kalkhoudende rotsen gevonden. Bijzonder opmerkelijk is dat van Bruggen bovendien aangeeft dat A. madagascarienis ook in stilstaande wateren en moerassen worden gevonden. H. Frey schrijft in A/Z : "de moeilijkste van alle Aponogetons, waarvan de cultuur bijzondere ervaring vereist. Verspreiding : In beschaduwde, langzaam stromende wateren". Sterba schrijft : "Afgezien van A. madagascariësis leveren de tot nu toe in het aquarium gehouden soorten nauwelijks problemen op. Moeilijk in cultuur te houden soort, die tot nu toe in het aquarium slechts een kort leven was beschoren. Een aanvullende waterbeweging had een gunstige invloed".

De soort komt tot een hoogte van 1800 meter boven de zeespiegel voor. Vaak groeien de planten in bossen in meer of minder diepe schaduw. Het is niet bekend of de exemplaren in de vrije natuur een droogteperiode doormaken. Op zonnige plaatsen zou dit inderdaad zo zijn. Op andere plaatsen blijven ze het hele jaar doorgroeien. De bloeitijd is blijkbaar niet tot een bepaald jaargetijde beperkt. Deze gegevens staan gedeeltelijk in tegenstelling tot de waarnemingen van Kiener (1963), die van mening is, dat de gaasplant ten gevolge van haar zuurstofbehoefte alleen in helder, stromend water voorkomt en dat men deze planten niet in moerassen of stilstaand water vindt. Ook Bogner (schriftelijke mededeling) vond de plant - evenals wij - nooit in volledig stilstaand water.

In januari van dit jaar (1987) bezochten wij het eiland Madagascar. In deze tijd hielden wij ons een kleine week lang ten oosten van de hoofdstad Antananarive in de omgeving van Antasië  op. Het was regentijd, die van oktober tot ongeveer maart aanhoudt, waarbij het volgens de inwoners in de maanden februari en maart bijzonder veel regent. Ook tijdens ons verblijf regende het dagelijks, meestal rond het middaguur ongeveer een uur lang, maar ook in de middag vielen zo nu en dan hevige buien. In de nabijheid van het dorp Antasië  bevindt zich een beschermd natuurpark met tropische regenwoud en een voor Madagascar kenmerkende fauna en flora. Dit gebied ligt ongeveer 960 meter hoog en kan alleen met een inlandse gids worden betreden. Een kleine zijarm van de rivier Satandra stroomt onzichtbaar, en door het oerwoud sterk beschaduwd, door het park. De ongeveer 1 tot 2 meter brede beek was moeilijk toegankelijk, en zonder hulp van de gids hadden we de A. madagascariensis in dit water zeker niet gevonden. In het snelstromende, heldere water groeiden enkele exemplaren van de smalbladige vorm. In het ondiepe water wortelden ze diep in de bodemgrond, die uit grof zand, vermengd met min of meer grotere stenen als grotere rotsblokken bestond. Een analyse van het water gaf de volgende waarden: watertemperatuur om 11.00 uur 18,5 graden Celsius, luchttemperatuur 23 graden Celsius, pH waarde 5,6, gezamelijke hardheid en karbonaathardheid kleiner dan 1 graad Duitse hardheid en Fe2 niet meetbaar.

De tweede vindplaats, die we eerst na lang zoeken ontdekten, bevond zich ongeveer 1 kilometer van het dorp Beforona verwijderd aan de gelijknamige rivier onder een brug. Op deze plaats is de rivier ongeveer 10 meter breed. We vonden hier eveneens de smalbladige vorm van A. madagascariensis, die in kniediep, licht troebel water bij een sterke stroming groeit, waarbij haar bladeren nauwelijks de oppervlakte bereikten. De bodem bestond uit sterk leemhoudend zand, vermengd met kiezel, grotere stenen en rotsblokken. De gaasplanten groeiden zowel onder de brug als in de volle zon. Ook hier waren geen grote bestanden. Met een betrouwbare luxmeter (tolerantie 1%) stelden we om 10.11 uur de volgende lichtsterktewaarde vast: onder de blote hemel met een zwakke bewolking (kleine witte wolken) 70.000 lux en onder de brug in de schaduw 15.000 lux, enkele minuten later toonde de luxmeter bij een bijna wolkenloze hemel en intensievere zonnestraling een waarde van 146.000 lux aan. Natuurlijk gaat het bij deze metingen slechts om een momentopname. Bij zeer diffuus licht en sterke bewolking meet men aanzienlijk lagere waarden. De bruine kleur van de bladeren wijzen er wel op dat de planten in het natuurlijke biotoop onder sterker licht groeien dan in cultuur, want de meegebrachte exemplaren ontwikkelden later in het aquarium alleen nog olijfgroen gekleurde bladeren. De watertemperatuur van dit biotoop bedroeg om 10.00 uur 23,2 graden Celsius bij een luchttemperatuur van 27,5 °C.

De firma Tetra ben ik zeer dankbaar voor de wateranalyse (hieronder) die in het laboratorium werd onderzocht.

Waterwaarden op een vindplaats van Aponogeton madagascariensis.
Plaats: Rivier Beforona , in de nabijheid van het gelijknamige dorp. Datum : 3 januari 1987

  • pH: 6,45 (6,7 op de vindplaats)
  • Geleidbaarheid: 30 µS bij 20 °C
  • KH: 0,75 °DH
  • GH: 0,53 °DH
  • CO2: 10 mg/l (berekend)
  • NH4+: 0,1 mg/l
  • NO2-: 0,05 mg/l
  • NO3-: 5 mg/l
  • Na+: 3,3 mg/l
  • K+: 0,6 mg/l
  • Fe2+/3+: 0,05 mg/l
  • PO43-: 0,3 mg/l
  • Lood: 8 µg/l
  • Koper: 12 µg/l
  • Zink: 7 µg/l
  • Cadmium: -

Op beide onderzochte vindplaatsen vond ik noch bloeiwijzen, noch zaden. Het is aan te nemen dat de waterstand daar tijdens de droge tijd zo ver daalt dat de planten met hun bladeren aan de oppervlakte drijven. Zeker is dat de onderzochte biotopen van de smalbladige vorm van A. madagascariënsis niet uitdroogt. Vermoedelijk groeiden ook in dieper water nog exemplaren maar die we vanwege het door leem vertroebelde water niet konden zien. Bij kilometersteen 61 verzamelde J. Bogner gedurende de droge tijd in de Andriandrano-rivier in 1969 bloeiende A. madagascariënsis planten. Wij zochten ook deze biotoop op, doch de waterstand was hier zo hoog en de stroom zo sterk, dat het onmogelijk was daar naar planten te zoeken. Deze waarnemingen verduidelijken aan welke extreme voorwaarden enkele populaties op haar natuurlijke vindplaatsen worden blootgesteld.

Tot slot mag ik erop wijzen dat vele natuurlijke bestanden uitgedund of verdwenen zijn. Aan de ene kant worden de knollen, die gekookt enigzins naar aardappel smaken, door de inheemse bevolking gegeten en aan de andere kant wordt A. madagascariënsis door Madagassiche exportfirma's voor de aquaristiek verzameld en uitgevoerd. Het is niet aan te nemen dat deze moeilijk te cultiveren planten door firma's door zaad worden vermeerderd, maar dat alle geïmporteerde planten aan de natuur zijn onttrokken. Het blijft te hopen, dat de onttrekking van gaasplanten wordt gecontroleerd. De aquarianen zou ik dringend willen vragen, voordat men tot aankoop besluit, te overwegen dat deze zeer decoratieve, maar zelden met succes te houden soort, aanzienlijke eisen stelt aan de verzorger. Daarbij is geconstateerd dat de breedbladige vorm van de gaasplant in cultuur veel moeilijker is dan de smalbladige vorm.

Aanmelden