Text Size

De goudvis: een gouden vis

De goudvis: een gouden vis
Maandblad Minor Maastricht, clubblad april 2000

Carassius_auratus.JPG

De goudvis is een gedomesticeerde vorm van een karper uit China, zijn wildlevende voorouder is een heel gewone vis, die wel wordt gegeten. Normaal is hij groen of bruin van kleur, maar een enkele keer komen er rode of goudrode exemplaren voor. De Chinezen verzamelden deze afwijkende exemplaren al in 960 n. Chr. en kweekten ze. Rond 1173-1240 werden er al goudvissen als huisdier gehouden in aardewerken kommen en in siervijvers. In Japan werden ze in 1500 ingevoerd. Pas twee eeuwen later bereikten ze Europa. Waarschijnlijk bereikte de eerste goudvis Engeland in 1692, aan boord van een schip dat in 1691 uit Macao was vertrokken. In 1750 deden goudvissen hun intrede in Frankrijk, in 1753 of 1754 in Nederland en in 1780 in Duitsland.

In Rusland zwommen in 1791 goudvissen in kommen in de wintertuin van prins Potemkin. De VS moesten tot 1859 op de eerste goudvis wachten. Over de verwantschap van de goudvis is door de specialisten nogal verschillend gedacht. Een van de opvattingen was, dat hij van de kroeskarper afstamt en dat de koperkleurige kroeskarper daar een smalle vorm van is. Volgens de huidige opvattingen is de goudvis Carassius auratus van Aziatische oorsprong en is de koperkleurige kroeskarper C. auratus gibelio een Europese ondersoort. De gewone Europese kroeskarper is een andere soort, C. carassius. Hoewel men meestal denkt dat de goudvis maar een klein visje is, kan hij een gewicht van 9 pond bereiken, maar de als siervissen gekweekte soorten worden zo groot niet. Er bestaan twee typen siergoudvissen, de geschubde en de ongeschubde. Het laatste type heeft transparante schubben, die moeilijk te zien zijn. In het begin zijn de geschubde variëteiten kleurloos, althans rook- of matzilverkleurig. Later komen er zwarte kleuren en weer later wordt het dier rood en/of wit. De 'ongeschubde' vormen missen de metaalglans van het andere type, maar hebben subtielere kleuren, zoals lavendel en blauw. Ze zijn eerst wit met zwarte puntjes en krijgen al gauw hun uiteindelijke kleuren. De shubunkin is een mooi voorbeeld van het 'schubloze' type. Hij is blauw met rood en geel of rood en donkerbruin. Ook combinaties van deze kleuren komen voor.

Goud en modder.
Het leven van de wilde goudvis is niet opwindender dan dat van zijn gedomesticeerde verwanten. Het natuurlijke voedsel is zowel dierlijk als plantaardig. Het eerste bestaat uit watervlooien, zoetwatergarnalen, muggenlarven en wormen (vooral tubifex). Het plantaardig voedsel bestaat uit eendekroos en - in het aquarium - de groene algaanslag op de ruiten. Dit menu wordt aangevuld met monden vol modder, waar lang op gekauwd wordt. Het oneetbare deel van de modder wordt weer uitgespuwd en de stukjes van planten en dierlijke resten worden doorgeslikt. Hoe het dier de eetbare van de oneetbare bestanddelen scheidt, is niet helemaal duidelijk.

Voortplanting.
In de voortplantingstijd zijn de seksen van elkaar te onderscheiden, doordat het vrouwtje dan gezwollen is door haar eieren en het mannetje wratjes krijgt op zijn kieuwdeksels en op de borstvinnen. Deze wratjes zijn alleen vanuit een bepaalde hoek goed te zien. Het vrouwtje legt tussen mei en augustus 500-1000 eitjes, elk met een diameter van 1,5 mm, die na het kuitschieten door het mannetje, dat het vrouwtje de hele tijd volgt, worden bevrucht. De eieren blijven aan waterplanten kleven. Bij een temperatuur van 16-18 graden Celsius komen ze na 8-9, bij 21-24 graden Cerlsius na 5-7 dagen uit. De jongen zijn bij het uitkomen 5 mm lang en lijken op kikkervisjes. De eerste 48 uur blijven ze aan de waterplanten hangen. Na die tijd is de dooierzak opgebruikt, zijn de vinnen gegroeid en kunnen de jonge visjes zich met infusoriën (microscopisch kleine diertjes) voeden. Als ze 18 dagen oud zijn, zijn ze tot 2,5 cm gegroeid en eten ze watervlooien. In het aquarium krijgen ze gewoonlijk droogvoer, vooral miereneieren.

Gevaarlijke jeugd.
Gekweekte goudvissen kunnen erg oud worden - soms zelfs wel 25 jaar - maar het leven van de wilde vorm is veel riskanter. Onder zijn vijanden bevinden zich roofvissen, visetende vogels zoals reigers en ijsvogels, en waterzoogdieren. Zij zijn aansprakelijk voor de dood van 5-10 % van de volwassen populatie. De grootste verliezen lijdt de populatie echter in de eerste levensfasen, vooral bij de jonge visjes, waaronder in de eerste 6-12 maanden een sterfte van 70-80 % optreed. In die tijd hebben de jongen zeer veel vijanden, zowel in het wild als in de siervijvers. Overal loert het gevaar. De voornaamste vijanden zijn dan de zoetwaterpoliepen (Hydra), bloedzuigers, schaatsenrijders, waterschorpioenen, ruggezwemmers, allerlei kever- en libellenlarven. Daarbij komen nog bacterie- en schimmelziekten. De meeste schade wordt waarschijnlijk aangericht door de verschillende kevers, zoals de schrijverkes, de geelgerande watertor en de spinnende watertor. De twee eerstgenoemden vallen als larve en als volwassen insect de visjes aan, de laatstgenoemde alleen als larve.

"Prachtige monstruositeiten".
De verder doorgekweekte siergoudvissen zijn onnatuurlijke monstruositeiten, hoe fraai ze er ook mogen uit zien. Dit blijkt al uit de namen van de verschillende variëteiten: sluierstaart, telescoopvis, moor, leeuwenkop en waaierstaart. Verder kennen we nog de calico, de komeetvis en de shubunkin. De sluierstaart is in dit gezelschap nog niet eens zo misvormd, met zijn lange, dubbele staartvingordijnen. De telescoopvis heeft grote uitpuilende ogen, die soms buisvormig zijn. De leeuwenkop heeft zijn rugvin verloren en heeft een rond lichaam gekregen. Alsof dat nog niet genoeg is, is zijn opgezwollen kop overdekt met ronde knobbels, waardoor hij eruit ziet als een framboos. Het is de vissenspecialisten opgevallen, dat sommige afwijkingen vaker of minder vaak in de natuur voorkomen. Bij de domesticatie selecteert men deze natuurlijke mutanten of afwijkingen uit en gaat men ze kweken om nieuwe variëteiten te verkrijgen. Bij de goudvis komt verdubbeling van de staart- of anaalvin en het verlies van de rugvin het meest voor. Ook uitpuilende ogen komen vaak voor. Als de goudvis weer verwildert, zoals dat gebeurd is in Zuid-Frankrijk, Portugal, Mauritius en de VS, lijken de nazaten van de kweekvorm al gauw weer op de oorspronkelijke wilde vorm, zowel in bouw als in kleur. Onder natuurlijke omstandigheden zijn de gekweekte monstruositeiten in het nadeel. Ze worden dan ook snel geëlimineerd - zoals dat met elk sterk afwijkend dier in de natuur gebeurt.

Aanmelden