Text Size

Project 'Totskop'

Project 'Totskop'
Door Wilfried Van der Elst, Aquarianen Gent.

Het nu volgende artikel is al heel wat jaartjes oud, maar spijtig genoeg nog steeds heel actueel. Het lezen van de titel zal velen onder u raar doen opkijken, zodat ik maar eerst begin met een verklaring.

Een 'project' kan men omschrijven als een voorgenomen handelswijze, iets wat dus met 'voorbedachte rade' geschieden zal en 'Totskop' is een dialecte benaming voor de Rivierdonderpad (Cottus gobio), die men nog kan horen bij oudere inwoners van Schilde. Het Rivierdonderpadje komt al een hele tijd voor op de lijst van bedreigde vissoorten, wat ik ten zeerste betreur, want het moet nog altijd bewezen worden of dit de vis eigenlijk wel ten goede komt.

In mijn jonge jaren heb ik deze visjes steeds in mijn koudwateraquaria verzorgd, waar ik ze zelfs meerdere malen nagekweekt heb. Zodoende heb ik veel kennis over deze vissoort kunnen vergaren en later zou mij dit het project 'Totskop' doen ontwikkelen. Hoeveel vinstralen C. gobio heeft kan ik u niet vertellen, want doordat ik vooral mijn persoonlijke ervaringen opschrijf, behoor ik niet tot de soort schrijvers, die met een boek naast zich een artikel pennen.

Het rivierdonderpadje leeft in snelstromende beken, iets waarvoor hij perfect is aangepast. De zwemblaas is zo gedegenereerd dat de Totskop niet meer zo gracieus zwemt. De grote borstvinnen zorgen ervoor dat de rivierdonderpad zich goed kan vastzetten op de bodem, maar ze worden eveneens gebruikt om met grote sprongen weg te komen. De ogen bevinden zich boven op de kop, zodat deze vis van op de bodem toch een zo optimaal mogelijk zicht op de omgeving heeft. Wat echter het meest opvalt, is de grootte van de kop die hem een woest uiterlijk geeft en ook zijn bijnaam Totskop.

Heel merkwaardig is wel dat de rivierdonderpadden uit de Ardennen een merkelijk kleinere kop hebben dan de degene die in onze beken zitten. Dit duidt volgens mij op een aanpassing aan het milieu. In de Ardennen is het water immers zuurstofrijker dan in onze beken. Om hierin te kunnen overleven ontwikkelde in de loop der tijden de Kempische rivierdonderpad een grotere kop om daar dus ook grotere kieuwen in onder te kunnen brengen. Om deze reden is het dus geen oplossing om in de Ardennen (waar deze vis nog rijkelijk voorkomt, hij wordt er zelfs door forelvissers platgetrapt omdat ze misschien wel voedselconcurrenten zijn van de forel) rivierdonderpadjes te gaan vangen en ze hier los te laten.

Over het voedsel wordt volgens mij de bal nogal eens misgeslagen. Daar vermeld men dat C. gobio van wormen en insectenlarven leeft. Dit voedsel zullen ze wel niet versmaden, maar ik geloof nooit dat ze daar voldoende aan hebben. In alle beken waarin ik onderzoek verrichtte kwamen rijkelijk beekvlokkreeftjes voor, die net als de C. gobio bij in het water liggende stenen beschutting zoeken. Hierdoor kan er gesteld worden dat de rivierdonderpad in zijn natuurlijk milieu helemaal geen jager is, maar dat hij gewoon wacht tot er een prooidier voor zijn mond zwemt. Met een regenworm aan een visdraadje heb ik meermaals geprobeerd om een rivierdonderpad te laten toehappen, deze kwam bijna altijd pas in actie als de worm tegen zijn bek aankronkelde.

In het aquarium is het eetgedrag totaal anders. Door het ontbreken van een sterke stroming, waardoor er geen prooidier in de nabijheid van deze vissen beschutting zoeken, moet de C. gobio wel op jacht gaan. Hij eet dan alles wat in zijn bek past. In zijn biotoop heb ik meermaals een halfuurtje postgevat bij een steen, waaronder een rivierdonderpad en heb nooit waargenomen dat deze vis zijn schuilplaats verliet om een prooi te bemachtigen. Als de schuilplaats dan toch werd verlaten, was dit om te verhuizen naar een andere steen, die zich bij voorkeur in het midden van de beek bevond. U begrijpt dus dat stenen enorm belangrijk zijn voor deze vissen. In de Ardeense riviertjes is daar helemaal geen gebrek aan, maar in onze contreien ligt dat wel even anders. Daarenboven worden onze beken regelmatig gekuist, zodat mogelijke schuil-, maar ook kweekplaatsen verdwijnen en de mogelijkheid om voedsel te verschalken wegvalt.

Met deze stand van zaken en de opgedane ervaringen in het achterhoofd begon ik mijn fameus 'project Totskop'. Ik wou, op een welbepaalde plaats in de natuur, de omstandigheden voor onze rivierdonderpadden zo ideaal mogelijk maken. Op die plaats werden in 1988 verscheidene stenen op elkaar geplaatst, zodat er diverse schuilplaatsen ontstonden. Heel belangrijk bij dit stapelen is dat stroming onder de stenen goed verdeeld is. Wat stroomopwaarts werden een paar vissen gevangen en vervolgens in mijn 'Totskopreservaat' geplaatst. Daar hadden ze het blijkbaar perfect naar hun zin. Helaas, het jaar daarop legde men het bos waardoor de beek stroomde neer. Veel takken en ander houtafval kwamen hierdoor in 'mijn' beek terecht. Door deze storing trokken mijn Totskoppen van hun plaats weg en was ik genoodzaakt een jaartje te wachten.

In 1989 kwam, met de hete, brandende, maar vooral droge zomer, een nieuwe tegenslag. De beek viel droog. Met het herstarten van het project bleek het een jaar later wel goed te gaan. Ik moest zelfs geen vissen meer te vangen, want ze kozen spontaan deze plek uit om er zich te vestigen. Helaas, na enkele weken werd er, bij het controleren van de toestand, echter maar een enkel exemplaar van de aanvankelijk aanwezige rivierdonderpadden teruggevonden. Begrijpt u hoe verbaasd en ontgoocheld ik was?

Steeds weer stelde ik mij de vraag hoe zoiets kon. Het antwoord kwam er, toen ik een stuk regenpijp leeg haalde, waaruit een ongeveer 80 cm grote kanjer van een paling kwam. Nu weet ik uit ondervinding, dat een grote paling in roverscapaciteit beslist niet hoeft onder te doen voor een snoek. Meteen wist ik dus waar mijn beschermelingen heen waren. Verdorie, wanneer zou dit project resultaten opleveren? Tegenslagen genoeg, eerst het houtafval, dan de hete zomer en dan de paling. Met nieuwe moed werd er in datzelfde jaar als de palingvangst, elke steen zodanig weer opgestapeld, dat het water onder het bouwsel door kon stromen. Dit omdat, wetende uit aquariumervaringen, dergelijke holen de voorkeur genieten als afzetplaats. De vissen moeten wel dergelijke plaatsen uitzoeken, omdat ze niet echt in staat zijn hun eitjes te bewaaieren. De ouders dienen alleen in te staan voor de bewaking, terwijl de waterstroming automatisch vers en zuurstofrijk water langs de eitjes voert.

De eitjes worden aan de onderkant van een steen in een bosje afgezet. Tijdens de afzetperiode is het vrouwtje, op de twee tot drie lichte dwarsbanden over de rug na, zeer donker gekleurd. Ook de gele zoom van de ronde rugvin is dan intensiever. De eerste veertien dagen wordt het mannetje door het vrouwtje steeds agressiever verjaagd. In het aquarium heb ik zelfs waargenomen dat een vrouwtje met haar mannetje in de muil rondzwom om hem aan de andere kant van het aquarium te deponeren. Na 21 tot 27 dagen komen de eitjes uit. De jongen zwermen al na twee dagen uit. Het aantal eieren bedraagt naar schatting, zo'n 150 tot 200 stuks.

Terug nu naar het Totskopproject. In maart 1991 stapte ik gelaarsd, maar met nauwelijks enige hoop in de beek. Na 5 minuten zag ik mijn eerste rivierdonderpad van het jaar en een beetje later aanschouwde ik een grote Berm (Noemacheilus barbatulus). Dat zag er veelbelovend uit. Met een bang hart ledigde ik het stuk regenpijp ... oef, geen paling. Dus maar verder wat holen controleren in het bere koude wateren ja hoor, in een van de holen huisde een stel rivierdonderpadden. Het vrouwtje was duidelijk te herkennen aan de duidelijk opgezwollen buikpartij. Dit stel moest nog met de eiafzetting beginnen. Aan de kleuren van het vrouwtje te zien zou het niet lang meer duren. Rustig werden de stenen teruggelegd. Het wegnemen en terugleggen van de stenen geeft geen enkel probleem. De dieren vertrouwen zo sterk op hun camouflage, dat ze doodstil blijven liggen, als men de beschermende steen rustig even naar achteren neemt.

Een meter of twee verder werd een steen gelicht en eindelijk ... er kleefde een prachtig legsel aan. Daar het mannetje nog aanwezig was, wist ik dat het legsel nog vrij recent moest zijn. Wat meer stroomopwaarts kleefde nog een legsel aan een steen. Hier was enkel het vrouwtje aanwezig. Van dit legsel moesten de eitjes ongeveer gaan uitkomen. Mijn dag kon niet meer stuk.

Ondertussen wordt dit ook gedaan door een afdeling van de Universiteit van Antwerpen. Ze plaatsen dakpannen op plaatsen waar nog rivierdonderpadden voorkomen. Deze acties zijn ook heel nodig, als we dit visje willen blijven houden in onze streken.

Aanmelden