Text Size

Acantothalmus kuhlii, 'slangevisjes'

Acantophthalmus kuhlii
door Karel Fondu, Siervis Leuven, clubblad oktober 2000.

De kuhlii behoort, evenals de Botia, tot de familie der Cobitidae. Deze doorngrondels vormen een betrekkelijk kleine groep van vissen die uitsluitend voorkomen in de Oude Wereld. De modderkruipers hebben een enorm verspreidingsgebied, dat zich uitstrekt over Europa, Azië en Afrika, waar ze voorkomen in Ethiopië en Eritrea.

Acanthophthalmus_kuhlii_myersi.JPG

 

 

 

 

Het zijn schuwe bodembewonende vissen, met onder het oog een verdedigingsstekel die, indien hij opgericht wordt, een doeltreffend wapen vormt tegen iedere vijand, inclusief de onschuldige aquariaan, die bij het in handen nemen van het "slangske" plots een stekende pijn voelt en bloed ziet vloeien. Gelukkig is de stekel niet giftig en beperkt de schade zich tot een kleine snijwonde.

Acanthophthalmus_kuhlii_sumatranus.JPG

 

 

 

 

Deze aalachtige visjes, met hun langgerekt, aan de staart enigszins afgeplat lichaam, en hun volledig onderstandige, uitstulpbare mondopening met dikke lippen, zijn uitstekend aangepast om, dank zij hun goed ontwikkelde baarddraden, hun kostje op de bodem op te scharrelen. Sommige soorten hebben, net als de Corydoras, een darmademhaling ontwikkeld, waardoor ze in modderig, zuurstofarm water kunnen overleven. De opgehapte lucht wordt in de darm ontdaan van zuurstof en via de aarsopening uitgestoten. Zo kunnen ze zelfs in periodes van langdurige droogte in de modder wegkruipen en zonder water verder leven. Hun huid is slijmerig en de schubben zijn klein en ontbreken vaak op het hele lichaam of op enkele delen.

Modderkruipers zijn eerder rustige vissen, die weliswaar in een gezelschapsaquarium kunnen gehouden worden, maar die men veel beter kan waarnemen en bestuderen wanneer men ze in een apart bakje onderbrengt.

De Acantophthalmus kuhlii, die in de nieuwe nomenclatuur inmiddels Pangio kuhlii heet, komt voor op Java, Sumatra, Oost-Indië, Noordoost-Bengalen, Assam, Malakka, Myanmar, Borneo en Singapore, waar hij ondiepe watertjes bevolkt met een zanderige of slijkachtige bodem. Hij werd voor het eerst in 1909 ingevoerd en mag zich sindsdien op een blijvende interesse van de aquariaan beroemen.

Het "slangske", zoals hij in de volksmond wordt genoemd, heeft een lang, rolrond, naar de staart toe zijdelings samengedrukt lichaam. Hij heeft een onderstandige mond, met drie paar baarddraden. Zijn kleine ogen zijn afgedekt met een beschermend vlies. Zijn grondkleur is zalmkleurig tot lila, zijn buik is zilver tot zuiver wit. Op de kop lopen drie doorlopende diepzwarte dwarsbanden. Op het lichaam vinden we een groot aantal donkerbruine tot zwarte banden, die veelal in het midden worden onderbroken door dunne lichte strepen of vlekken. Deze dwarsbanden reiken niet helemaal tot aan de buikzijde. In de staartwortel zien we een bruine driehoekige vlek. De vinnen zijn kleurloos. Alleen op de rug- en staartvin vinden we rijen bruine puntjes. De aarsvin is ver naar achteren geplaatst.

De kuhlii die 8cm groot wordt, is een zeer aardig visje, dat bij een temperatuur van 22 tot 24 graden Celsius in ieder goed beplant gezelschapsaquarium kan meedraaien. Indien je ze met meerdere exemplaren houdt, zullen ze hun natuurlijke schuwheid grotendeels verliezen en zal je ze regelmatig over de bodem zien rondscharrelen. Om hen te plezieren geef je hen vele schuilplaatsen onder overhangende stenen of onder kienhout, of werk je plastic buizen met een diameter van 1 cm in de bodem in. Gezien hun gevoelige baarddraden, gebruiken we als bodembedekking onscherp zand. Ook hier en daar een beetje turf, om wat in te woelen, stellen ze zeer op prijs en wees gerust: ze zullen geen bodemvuil laten opdwarrelen. Aan de waterkwaliteit stellen ze geen bijzondere eisen.

Vermits het bodembewoners zijn geven we hen tubifex of rode muggenlarven, maar ook organische en plantaardige afvalstoffen maken deel uit van hun menu. Zo wordt ook droogvoer, dat op de bodem is beland, opgeruimd.

Over de kweek van de kuhlii is er niet veel bekend, alhoewel gelegenheidskweken in het aquarium niet zelden voorkomen. Sommige waarnemers zijn de mening toegedaan dat de paring plaatsvindt in de bovenste waterlagen, en dat de visjes hierbij zo onstuimig te keer gaan dat er zich aan het wateroppervlak luchtbellen vormen, waardoor men wel eens gedacht heeft dat ze schuimnesten bouwden. Wel heeft men vastgesteld, dat de eitjes een grote kleefkracht bezitten, wat de theorie van een schuimnest dan weer schijnt uit te sluiten. Sommigen zeggen dat de zeer kleine eitjes helgroen gekleurd zijn, anderen beweren dan weer dat ze een oranje kleur hebben.

Zoals je ziet heeft de kuhlii al zijn geheimen nog niet prijsgegeven en is hij voor de gedreven kweker een uitdaging. De gewone liefhebber zal aan zijn "slangskes" jaren plezier beleven.

Aanmelden