Text Size

Labyrintvissen

Labyrintvissen

Marc Boulaert, Aquarianen Gent

Het zijn bijna allemaal zijdelings sterk afgeplatte vissen. De snuit is meestal kort en naar boven gericht. Ze komen uitsluitend voor in de tropische zoetwateren. Modderige, zuurstofarme wateren zijn hun habitat. In deze wateren is onvoldoende zuurstof aanwezig om de dieren met kieuwen voldoende zuurstof te geven. Daarom ontwikkelden zij een speciaal systeem om zuurstof op te slaan. De Anabantidae zijn verspreid over Zuid- en Oost-Azië, Indonesië en tropisch Afrika. Het labyrintorgaan is dus een aanpassing van de natuurlijke omstandigheden. Zo kunnen deze gebieden met deze dieren bevolkt worden.

Het labyrint.
Het is een speciaal gevouwen en gewonden orgaan dat zich onder de kieuwdeksels bevindt. Door dit orgaan kunnen deze vissen atmosferische lucht gebruiken, in tegenstelling tot de andere vissoorten die meestal de zuurstof met behulp van de kieuwen uit het water halen. Deze dieren moeten dus regelmatig aan de oppervlakte naar lucht happen, die ze opslaan in het labyrintorgaan. Die doet dan zogezegd dienst als long en als we ze nu beletten dit te doen, verdrinken deze vissen (ze stikken).

Ze bezitten ook nog kieuwen die bij de ene soort meer dienst doen dan bij de andere. Zo kan er geen vaste regel gegeven worden hoelang deze vissen onder water kunnen blijven voor ze naar lucht komen happen. Zeer belangrijk bij deze groep is dat de luchttemperatuur boven het aquarium niet teveel mag verschillen van de watertemperatuur. Dus, opgelet met aquaria die opgesteld staan in onverwarmde plaatsen in de winterperiode.

Deze vissen stellen doorgaans weinig eisen wat betreft voeding en watersamenstelling. Ze eten alles en nemen ook vrede met droogvoer. Sommigen nemen ook algen tot zich of graven deze af op stenen, kienhout en planten.

De Aziatische leden van de Anabantidae.
Zij zijn doorgaans vrij vreedzaam en voor het gezelschapsaquarium zeer geschikt. Alleen bij de kweek kunnen de mannetjes zich vervelend gedragen en zich enigszins agressief gedragen ten opzichte van soortgenoten.

De Afrikaanse leden.
Zij zijn minder vreedzaam. Sommige zijn geduchte rovers en bijters. Dus, best eerst goed nagaan welke soort men in de bak haalt. Voor een speciaal aquarium komen deze uiteraard meer in aanmerking of als we ze alleen samen houden met vissen van gelijke grootte en even robuust.

Tips bij de kweek.
Dat deze vissen zich aanpassen aan de natuurlijke omstandigheden, zien wij als we er een kweekpoging mee ondernemen. Wanneer de jonge larfjes uit het eitje loskomen, bezitten ze nog geen labyrintorgaan en moet men voldoende doorluchten. Het labyrintorgaan begint zich maar te ontwikkelen na enkele weken. U merkt dit bij deze visjes als ze plots aan de oppervlakte lucht gaan happen. Daarom ook is het zaak de kweekbak niet te hoog te nemen, liefst niet hoger dan ongeveer 25 cm.

Voor de kweek brengt men drijfplanten of planten die de oppervlakte van het water bedekken. Daartussen wordt het schuimnest gebouwd waar de eitjes worden verzameld. De eieren zijn zeer olierijk waardoor hun drijfvermogen zeer wordt bevorderd.
De opfok geschiedt zoals bij de andere vislarfjes. Alleen Colisa lalia stelt soms problemen daar de larfjes enorm klein zijn en dit bij de voeding voor enkele problemen kan zorgen.

Verzorging van labyrintvissen.
Zij verlangen meestal een iets hogere temperatuur, liefst 24 à  28 °C. Alleen de paradijsvissoorten houdt men op iets lagere temperaturen. Tussen de 12 en 18 °C kunnen deze in goede gezondheid gehouden worden. Deze soorten constant op een hogere temperatuur houden verkort aanzienlijk hun leven.

Zoals eerder vermeld, mag de bak niet te hoog zijn (45 cm wordt het best niet overschreden). Een te hoge bak kan ook hun levensduur beperken. Het aquarium voorzien van dekruiten, de luchtruimte boven het water wordt zo beter op een gepaste temperatuur gehouden en belet het uitspringen. Sommige soorten zijn geduchte springers.

Bij de paring gaat het er soms levendig aan toe, zodat een aquarium van 100*40*40 het best geschikt is. Na de afzetting kan met een pot het schuimnest overgebracht worden in een kleiner en lager aquarium.

Als we een speciaal aquarium inrichten, beplanten we dit als een oerwoud, met schuilplaatsen waar opgejaagde vissen zich kunnen verschuilen. We gebruiken liefst langbladerige planten die langs het wateroppervlak groeien. Ook drijfplanten zijn zeer geschikt. Zodoende wordt het licht eveneens gedempt, wat de vissen zeer op prijs stellen en tevens hun kleuren beter tot hun recht laten komen.

Hopelijk heeft de liefhebber van deze soort hierbij iets opgestoken om het zijn troeteldieren naar hun zin te maken.

 

Aanmelden