Text Size

Amphilophus citrinellum

Amphilophus (Cichlasoma) citrinellus.
door Giovanni Agilheri uit : A.V.Peelland

Eén van de vissen, die tijdens de afgelopen tentoonstelling van de vereniging A.V. Peelland het meeste indruk op mij hadden gemaakt, waren de grote Amphilophus citrinellums. Even een geheugensteuntje, het waren de grote oranje vissen (met jongen) naast de stand met meervallen van de middelbare tuinbouwschool. U weet wel, die vissen met die bergen kiezelstenen tegen de voorruit.

Over de belevenissen met deze vissen zou ik u graag wat meer willen vertellen.

Amphilophus_citrinellus_1.JPG

Eerst wat gegevens:

De Amphilophus citrinellum behoorde vroeger tot het geslacht Cichlasoma, dat bijna honderd soorten omvatte en daarmee één der grootste uit de familie van de cichliden was. Het geslacht Cichlasoma werd al in 1839 (meer dan 150 jaar geleden!) door Swainson opgesteld. De diverse Cichlasoma-soorten komen alleen op de Amerikaanse (sub)continenten voor en wel vanaf het zuiden van de Verenigde Staten tot diep in Zuid-Amerika. De Amphilophus citrinellum is in 1864 door Guenter op naam gesteld. De A. citrinellum komt voor in Midden-Amerika, en wel tussen centraal-Mexico en Nicaragua en vooral in de grote Nicaraguaanse meren en hun zijrivieren. Het is een bijzonder mooie soort met hun opvallende oranje-gele kleur. Ze worden wel wat groot. Ze kunnen immers meer dan 25 cm lang worden. Het volwassen mannetje met zijn flinke voorhoofdsbult, die bij het ouder worden steeds groter en indrukwekkender wordt, en zijn hoge lichaamsvorm, is een imponerende verschijning. Dit niet alleen voor zijn medebewoners van het aquarium, maar ook voor de mensen die naar het aquarium kijken. De jongen zijn eerst volkomen doorzichtig, daarna lichtgrijs van kleur. Bij het groter worden krijgen ze steeds meer zwarte strepen. In het begin lopen deze vrijwel alleen over de lengte van het lichaam, later komen daar steeds zwarter wordende dwarsstrepen bij. Het zijn echte veelvraten. Vooral tijdens de groei is hun eetlust enorm. Twee tot drie ons watervlooien per dag verorberen ze met hun allen met speels gemak.

Zoals reeds gezegd hadden de A. citrinellums veel indruk op mij gemaakt tijdens de tentoonstelling. Na de tentoonstelling verhuisden ze dan ook snel naar mijn bak van 160 x 60 cm x 60 cm. Gewaarschuwd als ik was door hun graafgedrag op de tentoonstelling, werd de bodem afgedekt met flinke dikke stenen. Dankzij de zeer gewaardeerde hulp van de heren Wil Ramaekers en Jan van de Nieuwenhof werd er binnen de kortste keren een prachtig geheel van gemaakt. Naar onze mening zouden ze nu echt niet kunnen graven. Vergeet het maar!

De volgende dag, dat was een woensdag, waren ze al volop bezig met het versjouwen van de grote stenen. Met vereende krachten, ja hoor, u leest het goed, met vereende krachten werden de grote stenen in de grote uitgestulpte bekken genomen en in de richting van de voorruit gedragen of gesleept. Dat was een ongelooflijk schouwspel! Toen de eerste steen maar eenmaal los was, volgde de rest binnen de kortste keren. De beide dieren waren buitengewoon ijverig. Ze waren gewoon onvermoeibaar. Of ze ook even in een prima conditie waren! De bergen voor de voorruit groeiden en groeiden. Van de prachtig ingerichte bak bleef op die manier niet veel over. Van de Vallisneria neotropicalis trouwens ook niet. Alles wat hen in de weg stond, werd gewoon afgemaaid. Zo nodig werkten het mannetje en het vrouwtje ook hier eendrachtig samen om de in de weg staande planten op te ruimen. Het leek wel een erg radicale ruilverkaveling. Alleen de grote blokken steen bleven op hun plaats. Hoewel, ook daaronder driftig werd gegraven waardoor ze begonnen over te hellen. De grote stukken kienhout werden ook uitgegraven en kwamen scheef in het aquarium te staan. Voorwaar een hele prestatie. Echt leuk is dat niet voor iemand, die gewend is aan het statige en gracieus gedrag van de discussen! Maar de vissen hadden niet te klagen over gebrek aan belangstelling. Mijn huisgenoten hebben vanaf begin september tot nu toe (half mei) veel meer voor de bak gestaan dan in de elf jaar daarvoor, dat ik deze bak heb! Er was en is steeds wel iets te zien. Je hoeft je echt niet te vervelen!

In het begin werden de hopen kiezelstenen iedere keer weer zo goed en zo kwaad als dat ging terug op hun plaats gebracht door mij. De vissen waren het daar telkens totaal niet mee eens. Met frisse moed begonnen zij ook steeds opnieuw aan de inrichting van hun "huis" tot het weer naar hun zin was. De stenen werden meestal met grote kracht tegen de voorruit gespuugd. Dat veroorzaakte soms zo'n knal, vooral wanneer er een dikke steen tussen zat, dat je bijna van schrik van je stoel viel en gauw ging kijken wat er nu weer aan de hand was. Bijna bij iedere knal dacht je werkelijk dat de voorruit het begeven had. Maar die bleek toch heel wat sterker te zijn dan ik dacht. Gelukkig maar! Zo werkten ze letterlijk dag en nacht door. Telkens weer opnieuw. Na enige dagen gaf ik de moed dan ook op. Het was uiteindelijk hun "home", zij moesten erin leven. Ik hoef er immers alleen maar naar te kijken. Laat ze het aquarium dan maar naar hun eigen opvattingen, die de mijne niet waren, inrichten! Toen ik de "strijd", wat dat betreft, tijdelijk opgegeven had, begonnen de beide citrinellums een van de stenen grondig schoon te maken. Dat gebeurde echt grondig, zoals de citrinellums alles grondig deden. Je zou werkelijk van deze steen kunnen eten!

Al snel begonnen de beide volwassen dieren, die ook hierbij weer eendrachtig samenwerkten, met het "proefdraaien", er werd telkens onderzocht of de schoon gemaakte steen wel glad genoeg was om er de toekomstige eitjes te leggen. Zaterdag 16 september om half vijf 's middags was het dan eindelijk zover. Het vrouwtje, daartoe herhaaldelijk aangespoord door het aanhalige mannetje, (Je herkende hem bijna niet, zo "galant" en "lief" gedroeg hij zich ten opzichte van zijn vrouwtje! Met zachte porretjes en duwtjes tegen de buikstreek van het vrouwtje bracht hij haar in de juiste stemming.) legde een rijtje van ongeveer 10 eitjes op de klaargemaakte steen. Het mannetje bevruchtte deze eieren meteen daarna. In vloeiende en sierlijke bewegingen volgden steeds weer nieuwe reeksen eieren, die telkens direct bevrucht werden. De eieren waren niet te tellen, maar twee- tot driehonderd zullen het er zeker geweest zijn en misschien nog wel veel en veel meer. Dit afzetten duurde anderhalf uur onafgebroken. Ook hierin waren de citrinellums onvermoeibaar! Tijdens dit afzetten was de legbuis van het vrouwtje, dat veel kleiner is dan het mannetje en ook veel slanker dan de toch wel wat plompe man, duidelijk zichtbaar.

De steen was kennelijk toch nog wat ruw. Na ongeveer een uur afzetten werd de legbuis van het vrouwtje dan ook wat bloederig. Maar dat was voor haar geen enkele reden om te stoppen met het leggen van de eieren. Na anderhalf uur was de legbuis dan ook geheel beschadigd en met bloed bedekt. De flarden hingen eraan. Het vrouwtje scheen er echter geen enkele hinder van te ondervinden. De geslachtspapil van de man was niet zo dik, maar toch ook duidelijk zichtbaar. Zijn "arbeid" tijdens het afzetten was kennelijk niet zo steen-contact-intensief. De geslachtspapil van het mannetje was tenminste na anderhalf uur "werken" nog steeds ongeschonden.

Na het afzetten, trouwens ook tijdens dit gebeuren, werd iedereen op een veilige afstand gehouden van het nest. Die veilige afstand was zeer ruim en groot. Voor de meerval en een ouder jong, die ook in de bak verbleven, bleef er maar een zeer beperkte ruimte over. De meerval liet zich niet van zijn plekje verjagen, ondanks verwoede pogingen daartoe en het oudere jong zocht een goed heenkomen achter de zijwand, die hij kon bereiken dankzij de graafwerkzaamheden van zijn ouders. Daar was hij veilig. We hebben hem dan ook bijna twee maanden niet meer terug gezien! De meerval werd noodgedwongen getolereerd, zolang hij maar op zijn eigen plekje bleef. Werd dit verlaten, dan kon hij rekenen op een geduchte gezamenlijke aanval van de ouders. Dag en nacht bewaakten de dieren beurtelings of gezamenlijk de eieren, waarbij door het zacht heen en weer bewegen van de borstvinnen steeds voor aanvoer van vers water boven de eieren werd gezorgd. De eventueel wit geworden eieren werden er zeer voorzichtig door het vrouwtje tussen uit gepikt. Dit duurde tot donderdagochtend. Toen waren de eieren verdwenen. De bak werd zo nauwkeurig mogelijk door ons geïnspecteerd, maar er was niets meer te vinden. Jammer, maar daar was niets aan te doen. We vroegen ons af of de meerval ondanks de strenge bewaking kans gezien had het legsel te verorberen. Het viel me wel op, dat de beide ouderdieren zich opvallend veel ophielden in een van de achterhoeken van het aquarium, die zij van tevoren tot op de bodem hadden weg gegraven. Eerst dacht ik, dat de jongen daar heen gebracht waren, maar de ouders waren al weer ijverig begonnen met het graven. Deze werkzaamheden hadden tijdens het schoonmaken van de steen, het afzetten en het bewaken van de eieren stil gelegen. Te zien was er niets, maar dat was door de hoge "bergen" tegen de voorruit en de "wal" rondom het grote gat in de hoek ook niet goed mogelijk. De grote vissen verdwenen volkomen in dit gat. Toen er 's zondags nog steeds niets te zien was, had ik de moed helemaal opgegeven.

Maar dinsdagmiddag rond half een zag een van ons plotseling even een soort wolkje net boven de rand van het gat uitkomen. Dit "wolkje" leek om de kop van het vrouwtje te hangen. Daarna was er weer niets te zien. Terwijl het vrouwtje en het mannetje nog steeds bezig waren hun "huis" verder in te richten, bleef de "wolk" nog steeds zichtbaar en onze hoop, dat er misschien toch nog jongen overgebleven waren, werd daardoor weer volledig teniet gedaan. We hadden ons alles waarschijnlijk verbeeld. Het was daar achter in die donkere hoek ook zo slecht te zien. 's Avonds zag mijn vrouw, die het gehele proces met evenveel belangstelling volgde als ik, plotseling ook een zwerm, maar nu rondom de kop van het mannetje. Het was dus toch geen verbeelding geweest! Snel werd er wat droog voer fijngemaakt. Of het opgegeten werd, konden we niet zien, want de "wolk" was weer verdwenen. Dezelfde avond kregen we de jongen niet meer te zien.

De volgende dagen mochten de jongen, die zo klein waren als zeer kleine speldenkopjes en die helemaal doorzichtig waren, steeds vaker het gat verlaten, zij het onder de zeer strenge bewaking van één van beide ouders. Het mannetje of het vrouwtje (en soms ook beide ouders) zwom(men) dan zeer langzaam te midden van de grote school jongen, terwijl de ander de eventuele nieuwsgierigen op een flinke afstand van de jongen hield. Alles wat naar hun oordeel te dicht bij kwam, was automatisch gevaarlijk en moest tot elke prijs uitgeroeid worden of toch minstens zo ver mogelijk weggejaagd worden. Wanneer wij ons dan ook te dicht bij de voorruit waagden (de vissen vonden anderhalve meter van de voorruit al veel te dichtbij!), dan volgde meteen een verwoede uitval naar de voorruit, die soms zo fel was dat je haast zou denken, dat ze door de voorruit heen wilden. Ze zwommen er dan met een flinke klap tegenaan.

Dit gaf ook problemen bij het voeren. Wanneer ik dit zelf deed, was er niets aan de hand, maar wanneer mijn vrouw dit wilde doen, dan was dat eigenlijk niet goed mogelijk zonder je haast half lam te schrikken. Niets vermoedend maakte mijn vrouw de kap van het aquarium open. (Mijn vrouw moet daarbij op een stoel gaan staan, omdat het anders te hoog is.) De dekruit werd opgetild met de bedoeling het voer in het aquarium te gooien. Maar zover kwam ze niet. Het mannetje nam een flinke aanloop en maakte een grote sprong boven het water tot tegen haar hand en tegen de omhoog gehouden dekruit. Van schrik viel mijn vrouw bijna met stoel en al op de grond. De dekruit viel wel met een klap terug op het aquarium. Gelukkig was het glas dik genoeg om dat te overleven. De vissen moest ik voortaan maar zelf voeren als ik thuis kwam. Mijn vrouw had zich, zeer begrijpelijk, vast voorgenomen deze vissen voorlopig niet meer te voeren! Ze had wel iets kunnen breken!

Wanneer er gevaar dreigde voor de jonge vissen, dan schokte de vis, die midden in de school jongen zwom, even met haar of zijn lichaam en de gehele zwerm dook meteen naar de bodem en door hun prachtige schutkleur waren ze dan totaal onzichtbaar. Als het gevaar geweken was, kwam een van de vissen weer boven de jongen zwemmen, die dan weer, alsof het op commando was, rondom de man of het vrouwtje zwommen. Indien een van de ouders vond, dat hij of zij nu wel lang genoeg voor de jongen had gezorgd, dan schudde hij of zij eens flink, waarop de jongen weer naar de bodem zakten en de desbetreffende ouder verdween pijlsnel om de ander eens letterlijk aan zijn of haar plichten te herinneren. Dit deed hij of zij dan door die ander zo nodig met enig geweld naar de plek te jagen, waar de jongen nog steeds verscholen waren. Dit bleek geen privilege van het mannetje te zijn. Het mannetje liet zich even goed terugjagen, wanneer hij zich korte tijd aan zijn ouderlijke plichten onttrokken had.

Het was werkelijk aandoenlijk om te zien hoe voorzichtig deze enorme vissen omsprongen met hun nietige jongen. Hun broedzorg was werkelijk schitterend, maar dat niet alleen, ze was ook zeer trouw. De jongen werden onverbiddelijk in de geweldige muil genomen, wanneer ze zich ook maar enkele centimeters buiten de school waagden. Midden in de school werden ze dan weer terug gespuwd. Dit gebeurde eveneens wanneer de desbetreffende ouder tegelijkertijd ook nog een flinke hap stenen in de bek vervoerde en tijdens deze werkzaamheden bemerkte, dat een van de jongen meende, dat het nu een goede gelegenheid was om aan de aandacht van de ouders te ontsnappen. Het is onbegrijpelijk, dat deze vissen er dan toch in slaagden het minuscule kleintje weer levend uit te spuwen te midden van de anderen, zonder daarbij de stenen uit te spuwen of deze te verliezen. De natuur is werkelijk prachtig!

Aanmelden