Text Size

Regenboogvissen van Papoea & Nieuw Guinea en hun eigenschappen

Regenboogvissen van Papoea & Nieuw˜Guinea en hun eigenschappen

 

Erik Lievens, Aquarianen Gent

 

Joepie, ik heb van onze hoofdredacteur terug enkele bladzijden vrij gekregen om enkele bladzijden neer te pennen over de regenboogvissen. Hoewel het de bedoeling is om u regenboogvissen voor te stellen die voorkomen in Papoea Nieuw Guinea en Irian Jaya waarvan sommigen zowel te vinden zijn zowel in het Australische continent als in Papoea & Nieuw Guinea, wil ik u toch bepaalde eigenschappen van regenboogvissen niet ontzeggen.

 

Regenboogvissen behoren tot de prachtigste soorten in de tropische vissenwereld. Vooral in de baltsperiode laten zij hun schitterend schubbenkleed zien. Nochtans worden zij door menig aquariumliefhebber minachtend bekeken omdat jonge exemplaren er meestal flets uitzien en een wat ziekelijk uiterlijk vertonen. Als liefhebber moeten wij echter geduld uitoefenen. Eenmaal de regenboogvissen volgroeid zijn, wordt ons geduld beloond en tonen zij hun schitterend kleurenpalet. Over het algemeen zijn regenboogvissen heel rustige vissen die geen vlieg kwaad doen (tenminste als ze geen honger hebben, anders gaat de vlieg eraan).

 

Zij ogen het mooist bij het ochtendgloren als de lichten van het aquarium nog niet zijn aangestoken en als de zonnestralen zijdelings in het aquarium binnenvallen. Het zijn vissen die meestal gemakkelijk na te kweken zijn. Gelukkig maar, het is niet zo evident om vanuit Australië of Papoea Nieuw Guinea vissen te importeren. Als de baltsperiode is aangebroken is het aan de fotograaf om de mooiste kiekjes te schieten. Het houden van regenboogvissen stelt geen hoge eisen. Ondanks dat ze in de natuur gevonden worden in zacht water, stellen zij zich tevreden met de samenstelling van ons leidingwater dat toch gekend is om zijn hoge hardheid.

 

In vergelijking met andere tropische vissen, houden ze wel van wat hogere temperaturen. Het optimaal houden van regenboogvissen houdt in dat wij hen een ruime bak aanbieden die goed beplant wordt en ook veel zwemruimte biedt. Het zijn immers uitstekende zwemmers. Zij kunnen tot 5 jaar oud worden, op voorwaarde dat wij hen van het juiste voedsel voorzien. Zij voeden zich hoofdzakelijk met levend voer bestaande uit rode, zwarte en witte muggenlarven. Met rode muggenlarven moeten wij opletten. Gezien het zeer eiwitrijk voedsel is, is het mogelijk dat zij dit moeilijk gaan verteren. Watervlooien, Mysis en Artemia behoren ook tot hun lievelingsgerechten. Ook diepvriesvoedsel gaan ze eten op voorwaarde dat dit is ontdooid. Zo niet krijgen ze bekschimmel. In uiterste nood gaan ze wel eens een vlokje droogvoer eten maar dit zal dan wel met lange tanden zijn.

 

Maakt het mannetje aanstalten om een vrouwtje te versieren, dan zal hij zijn territorium afbakenen en verdedigen. Geen enkele indringer wordt toegelaten binnen zijn gekozen grenzen. Binnen een groep regenboogvissen wordt er onder de mannetjes soms stevig gebattled om de aandacht van een vrouwtje te trekken. Zelden vallen er hierbij dodelijke slachtoffers, doch de zwakkere exemplaren zullen onder de invloed van deze agressiviteit wel wat schubben missen.

 

Wist u dat regenboogvissen hun verzorger kunnen herkennen en weten wanneer ze eten gaan krijgen? Hun hersenpan is zo ontwikkeld dat andere vissoorten hiermee vergeleken, stumpers zijn (vooral cichliden J). Regenboogvissen houden van zuurstofrijk water. Zorg dus voor een goede stroming in uw water door gebruik te maken van een degelijke filtering. Wat zeker niet mag vergeten worden is een regelmatige waterverversing. Hiermee bedoel ik dat 1/3de van uw water wekelijks moet vervangen worden. In de natuur worden regenboogvissen doorgaans teruggevonden in de omgeving van stromend water (pas op, niet allemaal!).

 

Ze houden van een goed beplant aquarium, waarbij ook niet mag vergeten worden om voor veel zwemruimte te zorgen. Het één is niet altijd verenigbaar met het andere. Om nog eens terug te komen op de paaiperiode moeten wij ook weten dat, eenmaal de eieren zijn afgelegd, medebewoners deze eieren gaan beschouwen als een lekkernij. Het is aangewezen om de te kweken vissen af te zonderen in een aangepast aquarium. Eén mannetje met twee vrouwtjes kan leiden tot het beste resultaat. Dit heeft ook als voordeel dat bepaalde soorten met elkaar niet gaan kruisen. Kruisingen tussen bv. Glossolepis incisus en Melanotaenia boesemani behoren hierbij niet tot de uitzonderingen. Het is aan ons, aquariumliefhebbers, om zoveel mogelijk de eigenheid van de soort in stand te houden. Hybriden moeten zoveel mogelijk vermeden worden.

 

Het onderscheid tussen een mannetje en een vrouwtje is vrij gemakkelijk. Doorgaans zijn de vrouwtjes heel wat kleiner en aan de vorm van hun vinnen kan men bepalen of wij met een mannetje of een vrouwtje te doen hebben. De vinnen van de mannetjes lopen spits uit, terwijl deze van de vrouwtjes eerder afgerond zijn.

 

Nu wij ongeveer weten wat wij aan regenboogvissen hebben, is het nu de hoogste tijd om enkele specifieke soorten te beschrijven welke voorkomen in Papoea Nieuw Guinea en Irian Jaya. Sommige soorten komen zowel in Australië als in Papoea Nieuw Guinea voor. Denken wij maar aan bv. de Melanotaenia maccullochi, de Melanotaenia parkinsoni en de Iriatherina werneri. 10000 jaren geleden vormde Tasmaniê, Australië, Papoea Nieuw Guinea en Irian Jaya, één continent. Het is dus evident dat bepaalde soorten, in de ondertussen afgescheiden continenten, op verschillende plaatsen worden gevonden.

 

Om direct in huis te vallen met één van mijn favorieten onder de regenbogen, namelijk de Melanotaenia praecox, wil ik dit visje even aan u voorstellen. Het is een prachtige azuurblauwe regenboogvis met transparante vinnen die aan hun randen rood zijn afgeboord. Dit visje wordt niet groter dan 7 cm. Stelt u zich eens een ruim aquarium voor met een grote school van deze regenboogvissen en u bent niet meer weg te slaan van voor uw aquarium. Zijn natuurlijke omgeving bevindt zich eigenlijk in Irian Jaya, meer bepaald in de Mamberamo rivier, behorende tot de Indonesische archipel.

 

Zoals bij de meeste regenboogsoorten is zijn lichaam hoog zijdelings afgeplat. De hoogte van hun lichaam is rechtevenredig met hun leeftijd. Niet, zoals andere regenbogen die pas na 1,5 à 2 jaar volwassen worden, is de Melanotaenia praecox al volwassen na 6 maanden. Op voorwaarde natuurlijk dat wij hem goed verzorgen en hem het juiste voedsel aanbieden. Mannetjes hebben de kleuren hierboven beschreven, vrouwtjes moeten het met heel wat minder doen. De vinnen van de vrouwtjes hebben ook de rode omranding niet. De blauw iriserende kleuren kunnen variëren afhankelijk van de lichtinval. Ondanks dat het kleine visjes zijn, hebben ze veel zwemruimte nodig. Voor het houden van een school van deze dwergregenboogvissen hebben wij een aquarium nodig met een nuttige inhoud van 150 l.

 

Andere soorten regenbogen die in hetzelfde aquarium kunnen ondergebracht worden, zijn bv. de Iriatherina werneri en een Pseudomugilsoort. Zijn wij de gelukkige bezitter van een 500 l aquarium, dan kunnen wij opteren om ook wat grotere soorten in onder te brengen, rekening houdend met het feit dat zij in dezelfde regio voorkomen. De Melanotaenia praecox voedt zich hoofdzakelijk met klein blijvende voedselsoorten zoals watervlooien, Cyclops en Artemia. Regenboogvissen houden het liefst van muggenlarven: levende rode-, witte- en zwarte larven worden met graagte genomen. Voor onze dwerg onder de regenbogen moeten wij wel de muggenlarven fijn snijden anders gaan ze zich verslikken.

 

Om het nu eens over een andere boeg te gooien, beschrijf ik nu een heel ander visje dat geen regenboog is. In een aquarium gebaseerd op een Amazonebiotoop houden wij als een bodembewonende vissoort, meestal een Corydoras-soort. In ons Australisch, Nieuw-Guinees aquariumbiotoop kunnen wij met dezelfde doelstelling ook een bodembewoner houden, namelijk de Tateurndina occellicauda.

tateurndina_ocellicauda
 

Deze pastelgrondel wordt niet zelden verward met een Killisoort of zelfs met een goby. Zijn schubbenkleed is best te vergelijken met bepaalde killisoorten. Hij heeft er echter niets mee te maken. In tegenstelling tot de goby, heeft de pastelgrondel een dubbel gescheiden rugvinstelsel. Hij wordt gevonden in riviertjes en meertjes in Papoea & Nieuw-Guinea. Het is een vissoort die zich gemakkelijk aanpast aan wisselende omstandigheden. Zij stellen geen hoge eisen aan de watersamenstelling. Ook zijn zij niet kieskeurig voor wat wij hen als voedsel aanbieden; het zijn omnivoren. Het zijn kleine visjes die dus ook geen al te groot voedsel vragen. Ondanks het feit dat zij niet groot worden, kunnen zij stevig uit de hoek komen. Zij verdedigen heel kordaat hun territorium, waarbij elke indringer op een niet zachtaardige wijze verdrongen wordt. Hierbij kan de indringer schade oplopen aan zijn vinnen. De kwetsuren zijn echter niet van deze aard dat ze de dood als gevolg hebben. Wilt u meer weten over deze Tateurndina occellicauda dan kan u zich in verbinding stellen met Marguerite Van Hulle, zij houdt al verschillende jaren dit prachtige visje.

 

Een andere vissoort die ik aan u wilt voorstellen is de Melanotaenia splendida. Het woord zegt het zelf: splendida = splendid = prachtig. Het is éééén van de zachtaardigste regenbogen en het nakweken is kinderspel. Deze soort wordt zowel in Australië als in Papoea & Nieuw-Guinea gevondenen kan nogmaals onderverdeeld worden in 6 ondersoorten, waarvan er 5 regelmatig te krijgen zijn in de vakhandel. Zo herkennen wij de Melanotaenia spl. australis, de M. spl. rubrostriata, de M. spl. inornata, de M. spl. splenida en de minderbekende Melanotaenia tateë¯.

 

 

Waarom wij in de vakhandel meestal te maken hebben met nakweek is niet zo moeilijk te achterhalen. Het is aartsmoeilijk om vissen te exporteren vanuit Australië. Gelukkig is deze regenboogsoort gemakkelijk na te kweken. Daar waar de Melanotaenia praecox zich hoofdzakelijk ophoudt in stromende wateren, houdt de Melanotaenia splendida zich liever op in rustige wateren. Afhankelijk van hun vindplaats, kunnen de kleuren van deze vis enorm variëren. Zij zijn ook moeilijk van elkaar te onderscheiden. Niet zelden hebben wij te maken met hybridensoorten.

 

De Melanotaenia splendida is een groot wordende regenboogvis die met zijn 11 tot 12 cm, heel robuust overkomt. Wat hen zo mooi maakt zijn, zijn talloze iriserende punten op zijn vissenlichaam, te vergelijken met de ons bekende Moenkhausia pittieri (diamantzalm), maar dan veel kleurrijker. De overwegende blauwmetaalachtige kleur staat in scherp contrast met het rood van hun vinnen. Er loopt ook een groene iriserende band vanaf hun voorzijde naar hun staartvin. Spijtig genoeg zijn deze kenmerken pas zichtbaar eenmaal deze vissen volwassen zijn. Het aquarium moet voor deze vissoort ruim bemeten zijn en voorzien van een dichte beplanting. Voldoende zwemruimte moet er steeds aanwezig zijn. Zorg ook voor de juiste belichting.

 

Een andere vispopulatie die bij onze tegenpolen te vinden is, zijn de zogenaamde blauwoogjes. Hiertoe behoort de ons bekende Pseudomugil signifer. Met zijn grote blauwe iriserende ogen maakt hij ontegensprekelijk deel uit van de familie van de blauwogen. Dit visje straalt iets mythisch uit: bekijken wij dit visje eens van dichtbij, dan kunnen wij stellen dat we inderdaad te maken hebben met een exotische vis. Het is de meest bekende onder de blauwogen. Zoals bij de Melanotaenia splendida, komt hij voor in zowel Australië als in Papoea‑Nieuw‑Guinea. De Pseudomugil signifer heeft een groot aanpassingsvermogen. Men heeft hem al gevonden zowel in zachte wateren als in de estuaria aan mangrovegebieden, die toch bekend staan om hun hoog zoutgehalte.

 

Dit visje wordt niet groter dan 5 cm. Met zijn zilverachtige flanken en in verhouding grote blauwe ogen in combinatie met zijn specifiek vinnenstelsel, is hij een juweel voor in uw aquarium. Mannetjes zijn heel wat mooier dan vrouwtjes en zijn gemakkelijk te onderscheiden door hun grootte, kleuren en de vorm van hun vinnen. Het houden van blauwoogjes vergt niet zoveel vakkennis. Een aquarium met een nuttige inhoud van 120 l volstaat. Vergeet niet dat de Pseudomugil signifer een scholenvis is. Het leidingwater uit de kraan voldoet aan hun behoeften. Wel moeten wij in het oog houden dat het aquariumwater niet teveel nitraten bevat. Wat geldt voor regenboogvissen, geldt ook voor Pseudomugil-soorten. Wij moeten zorgen voor een regelmatige waterverversing. Een zanderige bodem en een goede beplanting zorgen voor een aangepast milieu. Ook zoveel mogelijk afwisselend voeren is de boodschap.

 

Oeie oei, ben mijn boekje weer te buiten gegaan. Johan, onze hoofdredacteur, zal weer een schoenaantrekker moeten gebruiken om dit artikel in ons clubblad te verwerken, zonder andere artikels schade te betrekkenen.

Aanmelden