Text Size

Xenotilapia sima

Xenotilapia sima
Vertaling Jan Mannekens, Clubblad Feb.'97.

Xenotilapia_sima.JPG

Originele beschrijving: Boulenger, G.A. 1899, Tr.Zool.Soc.XV,92

 

Etymologie: Xenotilapia = combinatie van het Griekse "xenos" (=vreemd) en "tilapia", wat in deze contekst simpelweg cichlide betekent. Sima betekent signaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Synoniemen en taxonomie: De taxonomie van deze cichlide is nooit ter discussie gesteld sedert zijn originele beschrijving. Er zijn bijgevolg ook geen synoniemen.

Verspreiding en ecologie

De soort is endemisch aan het Tanganyika meer. Ze komt voor langs de kustlijn over het ganse meer. Xenotilapia sima is algemeen verspreid over het meer, meestal in kleine scholen. Ze leven vrij diep in het water; sommige exemplaren zijn gevangen op diepten tussen 70 en 100 meter. De grote ogen enzilverachtige kleur zijn vermoedelijk aanpassingen aan het leven op dergelijke dieptes. De vissen leven vlak boven zanderige of modderige vlakten. Hun onderstaande bek en vorkachtige tanden zijn aangepast aan het zeven van het substraat. Ze leven van kleine slakken en insektelarven. De darmlengte bedraagt ongeveer 2/3 van de standaardlengte, wat aangeeft dat we hier niet met eenplanteneter te doen hebben.

Beschrijving

a. Morfologisch: Rugvin : XIV-XVII/14. Staartvin III/10-12. Schubben: 36-39 in lengterichting. Er zijn 3 zones in de dwarsrichting, met 30-34, 19-26 en 5-14 schubben. Het lichaam is langwerpig. De diepte van het lichaam is 3,5 tot 4 keer de standaardlengte (SL), de lengte van het hoofd 2,58 tot 3,1 keer SL. Het oog is 2,25 tot 2,5 keer SL ovaal van vorm en in de lengterichting van het hoofd.

b. Kleur: Het lichaam is zilverkleurig. Er is een zwak zichtbare zwarte rand op de rugvin. Mannelijke exemplaren hebben een goudkleurige glans tijdens de paringsperiode. Deze soort heeft zeer opmerkelijke ogen; ze zijn groot, geel en ovaal.

c. Geslachtsonderscheid: het enige onderscheid is dat mannelijke exemplaren een goudkleurige glans vertonen tijdens de paringsperiode.

d. Afmetingen: Xenotilapia sima is een van de grootste cichliden in het geslacht Xenotilapia. Wildvang exemplaren kunnen tot 16 cm groot worden. Nakweek wordt bijna even groot.

e. Verwante species: Verwante cichliden uit het geslacht Xenotilapia worden soms in de handel aangeboden. Xenotilapia bathyphilus, X. ornatipinnis en X. ochrogenys hebben dezelfde lichaamskleuren en vertonen hetzelfde broedpatroon. De andere soorten zoals X. flavipinnis zijn biparentele muilbroeders, maar stellen dezelfde eisen als X. sima. Alle jonge Xenotilapia hebben een zilverkleurig lichaam en verlengde vinnen.

f. kleur: De typisch zilverachtige kleur van deze soort wordt getoond in het boek van Brichard. De goudkleurige mannetjes in de paartijd zijn te zien in "Tanganyika Cichlids" van Ad Konings. (Photo :p.193 bottom).

Xenotilapia sima in het aquarium:

Deze vissen zijn zeer actief. Het grootste gedeelte van hun tijd zeven ze het zand door hun bek. Het is een scholenvis en men moet minstens een groep van 5 in het aquarium zetten. Alleen zijn ze zeer nerveus en verlegen. Ook het kweken verloopt beter in groep. Xenotilapia zijn vreedzame cichliden. Vechten tussen mannetjes in de groep gebeurt zelden en zelfs tijdens het paren wordt geen individueel territorium afgebakend. Een aquarium van minstens 120x40x30 cm is essentieel voor deze dieren.

Ze zijn gevoelig aan verstoring, waarbij ze in paniek kunnen geraken en uit het aquarium kunnen springen. Daarom staat het aquarium - dat goed moet afgedicht zijn - best op een rustige plaats. Weinig verlichting aanwenden, want ook door plotse veranderingen in lichtintensiteit kunnen deze dieren in paniek geraken. Essentieel is een bodem van fijn zand waarover ze kunnen fourageren. Een mix van koraalzand en een goede kwaliteit rivierzand van ongeveer 4 cm is voldoende. Zorg voor een grote, vrije zandvlakte. Schuilplaatsen, opgebouwd met rolkeien moeten aan de zijkanten worden voorzien. Vermijd scherpe stenen, vermits deze de grote ogen van de vissen kunnen beschadigen als de vissen zich langs de rotsen schuren. Waterkwaliteit zoals algemeen bekend voor Tanganyika cichliden; pH hoger dan 7,5, ideaal rond 8; bij voorkeur hard water, maar dit is van minder belang dan de pH. De temperatuur moet rond de 27 graden zijn. Men moet oppassen voor wisselende watercondities, vermits dit tot stress kan leiden. Fluctuerende waterkwaliteit wordt door alle Xenotilapia soorten slecht verdragen.

Een goede filterwerking is vereist. Liefst met een sterke oppervlaktebeweging om zoveel mogelijk zuurstof in het water te brengen. Regelmatige waterverversing (10% per week) zorgt ervoor dat afbraakproducten zich niet opstapelen. Alle Tanganyika cichliden zijn gevoelig aan ammoniak, nitrieten en nitraten.

Het is moeilijk om Xenotilapia sima samen met andere Tanganyika cichliden te houden. De rotsbewoners vormen een territorium en schelpbewonende cichliden zijn in competitie voor dezelfde zandvlakte rond hun schelpen. De beste medebewoners zijn andere Xenotilapia soorten die de middenlagen van het aquarium bevolken zoals X. spilopterus of X. papilio. Als voedsel nemen deze cichliden cyclops, artemia en hoog kwalitatief droogvoer op basis van spirulina. 

Kweek

Alle Xenotilapia zijn muilbroeders. Er zijn 2 strategieën bekend: sommige soorten zijn biparentele muilbroeders, anderen, zoals Xenotilapia sima zijn arena broedend. Mannetjes in broedkleuren construeren een cirkelvormige verdieping in het zand, waar ze heel actief rond zwemmen en proberen de vrouwtjes te lokken. In het meer zelf hebben verschillende mannetjes een dergelijke kuil op een kleine oppervlakte ("lek"). In het aquarium bestonden deze cirkelvormige verdiepingen niet langer dan 24 uur. Na het afzetten houden de wijfjes de eieren in de bek. Ze maken een kauwende beweging om de eitjes voortdurend in beweging te houden. Muilbroedende vrouwtjes eten niet zolang ze eieren of jongen in de bek hebben. De incubatieperiode duurt 2 tot 3 weken. Het is aan te raden om muilbroedende wijfjes apart te zetten na een 10-tal dagen muilbroeden. Per broedsel kunnen 15 tot 25 jongen gelost worden, en de jongen zijn heel actief zodra ze de bek verlaten. In het aquarium worden de jongen - eenmaal ze gelost zijn - niet meer in de bek van het vrouwtje genomen als er gevaar dreigt. Dit in tegenstelling tot andere soorten uit het geslacht Xenotilapia (zoals X. ornatipinnis en X. flavipinnis).

De jongen eten direct pas uitgekomen artemia. De jongen groeien traag en na een half jaar zijn ze slechts 2,5 cm groot. Zeer goede watercondities zijn nodig om de jongen goed te laten opgroeien; ze zijn zeer gevoelig voor ammoniak en nitriet.

Referentie: British Cichlid Association (BCA) Information Pamphlet 147 Author : Phil Gardner, with additional material from Alan Hill.

Aanmelden