Text Size

Tropheus-Story

TROPHEUS-STORY
Door Erwin Van Agtmael, Clubblad februari 99  (Naar Jorgen Tvedegaard)

HET GEDRAG VAN DE TROPHEUS
A. ALGEMEEN GEDRAG

Het geslacht Tropheus bestaat uit cichliden die ervan houden in groep te leven en die, in vergelijking met andere cichliden van het Tanganjikameer, een hoog sociaal gedragspatroon ontwikkeld hebben.

Tropheus_sp.JPG

Tropheus-dieren leven gewoonlijk in dichtbevolkte groepen langs de kusten. De Tropheus is een agressieve cichlide. Biologisch gezien betekent dit dat hij in dichte populaties leeft in een omgeving die rijkelijk is voorzien van voedsel. Hiervan uitgaande werden reeds verschillende wetenschappelijke onderzoekingen uitgevoerd om het gedrag van de Tropheus-soorten te leren kennen en begrijpen.

Het proefaquarium werd krachtig belicht van 6.00 h tot 22.00 h en daardoor verkreeg hij de gewenste algengroei. WW bestudeerde in het bijzonder de wisselende kleurpatronen bij agressies, in normale omstandigheden en bij schrik. Ook bij de seksuele ophitsing zowel bij het paringsspel als bij het vechtgedrag. Het kleurpatroon dat WW beschreef geldt alleen voor de variant die hij gebruikte bij zijn onderzoek, namelijk de roodgele Burundi moorii (Tropheus moorii Rutunga of Brabant moorii) en de verschillende kleurpatronen zijn dus niet algemeen voor alle Tropheus-soorten en kleurvarianten. Later werd een meer algemeen overzicht van kleurtekeningen gegeven bij verschillende gemoedsstemmingen bij verschillende soorten (H. Scheuermann en M. Nelissen).

De proefgroep van WW vertoonde een krachtige tendens om een aaneengesloten groep te vormen met een hoge sociale rangorde, zoals we die kennen bij de zoogdieren. Ik denk hier in het bijzonder aan het gedrag van de bavianen, die men reeds gedurende vele jaren heeft bestudeerd, en waarmee men vele parallellen kan trekken. Vele aquarianen hebben in de praktijk de theorieën van WW uitgetest zonder dit zelf te beseffen. Bij WW gebeurde hetzelfde als bij vele liefhebbers: een groep toevallig samengezette vissen waarbij de volwassen exemplaren zich direct meester maakten van een territorium en de onderlinge machtsverhoudingen uitmaakten.

In de regel wordt het sterkste mannetje de dominerende figuur en hij kan ongehinderd in heel het aquarium rondzwemmen maar met een bepaalde plaats als uitgangspunt. Normaal duurt het niet lang tot de overige exemplaren hun plaats innemen op de hiërarchische ladder. Die plaats wordt bepaald door factoren zoals geslacht, grootte en seksuele rijpheid. In de regel zijn het weer de mannetjes die de plaatsen volgend op het dominerende mannetje innemen maar dit is absoluut niet altijd het geval.

Bij TM kunnen verschillende mannetjes bijna evenwaardig zijn terwijl we bij Tropheus duboisi (TD) en Tropheus brichardi (TB) slechts één enkel mannetje zien domineren. De andere mannetjes worden, veel lager op de rangladder, voorbijgestoken door verschillende vrouwtjes. Vooraleer zulke rangorde is tot stand gekomen tussen toevallig geïmporteerde en samengezette Tropheus-vissen kan er zoveel agressiviteit in het aquarium geweest zijn dat men zweert nooit meer dieren van het geslacht Tropheus in huis te halen.

Wanneer de rangorde eenmaal is vastgelegd en allen hun correcte plaats in de sociaal gestructureerde samenleving hebben ingenomen herkent men nauwelijks de cichliden van tevoren. Plots kan er echter een probleem ontstaan doordat een volgroeid mannetje hogerop wil op de sociale ladder, en dan kan er wat onrust groeien totdat dit mannetje heeft aangetoond dat hij waardig is de rol van het dominerende mannetje over te nemen, ofwel met de nodige gevechten heeft ingezien dat zijn pogingen nutteloos zijn en zijn lagere plaats in de samenleving terug inneemt. Zulke schermutselingen kunnen wel een week in beslag nemen en alleen in het slechtste geval hebben ze een dodelijke afloop. We hebben reeds gesproken over de wisselende kleurpatronen en dit is één van de middelen die Tropheus gebruikt om te communiceren met zijn soortgenoten. Bij vele dieren spelen audiovisuele factoren een rol in hun gedragingen. Bij vissen hield men er alleen rekening mee dat het zien van kleuren en vormen gebruikt werden in gedragsfuncties maar men heeft ontdekt dat verschillende vistypen waaronder cichliden, geluid kunnen voortbrengen en hiermee kunnen communiceren.

Bij deze cichliden is er ook de Tropheus die door Mark Nelissen samen werd gehouden met Haplochromis burtoni, om door middel van "geluidsbeelden" aan te tonen hoe nauw deze geslachten met elkaar verbonden zijn.

In zijn originele tekst betwijfelt Jorgen Tvedegaard het belang van dit geluid doch in een studie van Nelissen (die ik in mijn bezit heb) wordt gesteld dat Tropheus 5 tot 7 typen van klankuitstotingen heeft. Bij deze klankuitstotingen die afzonderlijk werden beschouwd zijn er 2 of 3 in zuivere relatie met een bepaald gedrag. Dit communicatiemiddel lijkt bij cichliden van reëel belang te zijn naast de goed ontwikkelde visuele communicatie.

  • Tropheus moorii zou 6 typen van geluid voortbrengen en 4 kleurpatronen bezitten.
  • Tropheus duboisi zou 5 typen van geluid voortbrengen en 5 kleurpatronen bezitten.
  • Tropheus brichardi zou 7 typen van geluid voortbrengen en 4 kleurpatronen bezitten.

Ieder kleurpatroon of geluid komt overeen met een bepaald gedrag. Bij Tropheus-vissen is het mogelijk volgende patronen te onderscheiden :

  • neutraal patroon
  • dominant of agressief patroon
  • ondergeschikt patroon
  • balts- en legpatroon
  • broedpatroon

Het is dus interessant te weten dat Tropheus ook communiceert door middel van geluiden en niet alleen via kleuren, vormen en bewegingen.

B. PARINGSGEDRAG

De rangorde die we hiervoor beschreven, komt waarschijnlijk slechts voor in onze aquaria waar het gebied begrensd is. Op het gedrag in de natuur waar de biotoop onbegrensd is komen we later nog terug. Wat het paringsgedrag zelf aangaat is er geen twijfel, deze en alle wetenschappelijke beschrijvingen zijn gebaseerd op aquariumwaarnemingen.

Wanneer de sociale rangorde in ons aquarium is tot stand gekomen kan het paringsspel in theorie beginnen. De dieren moeten goed gevoed en geslachtsrijp zijn. Een wijfje schiet geen kuit en legt geen eieren voor de biologische functies te kennen geven dat ze nu in staat is het lange muilbroedproces door te komen. Was dit niet het geval dan zou het ras spoedig uitgestorven zijn.

Het dominerende mannetje heeft zijn territorium waarin alleen geslachtsrijpe vrouwtjes toegelaten worden. Zo een mannetje gaat zeker niet op zoek naar vrouwtjes in alle uithoeken van het aquarium. Dit gebeurt op een manier die eigen is aan Tropheus. In tegenstelling tot andere cichlidengeslachten maakt het mannetje lokkende en gracieuze bewegingen zonder gebruik te maken van zijn vinnen. Ook de zwemfunctie gebeurt door middel van zijn lichaam en voorzichtige staartbewegingen. Het intensief schudden en sidderen zijn belangrijke gedragsfactoren. De kleuren van het lokkende mannetje zijn vrij intens maar zoals gezegd, de vinnen zijn onbeweeglijk. Wat zijn vorm betreft ; hij ziet er eigenlijk niet zo indrukwekkend uit. Hieruit blijkt alleen hoe groot en efficiënt de rol van de kleuren is. De intensiteit van de kleuren en de tekening zijn twee zeer belangrijke factoren. De kleurintensiteit van de buikpartij van zowel het mannetje als vrouwtje nemen merkbaar toe. Dit is misschien te verklaren doordat de partners tijdens het grootste deel van het paringsspel hun buikpartijen naar elkaar hebben gedraaid.

Wanneer het mannetje een met kuit gevuld wijfje opmerkt tracht hij haar dus te lokken naar een door hem op voorhand gekozen plaats. Het is alsof er een automatische communicatie ontstaat tussen en dominerend mannetje en een paringsklaar wijfje. De paringsplaats is bijna altijd een licht hellend effen vlak en hetzelfde mannetje gebruikt steeds opnieuw de paringsplaats die hij uitgekozen heeft. De wijfjes zijn niet zo vertrouwd met de paringsplaats, worden wat onzeker en zwemmen keer op keer weg. Met veel geduld lokt het mannetje haar terug naar de paringsplaats.

Iets wat het hoge ontwikkelingsstadium van de Tropheus aantoont is dat het ganse verloop verschillende dagen kan duren : eerst kennismaking, dan communicatie, lokken en het paren zelf dat eveneens erg langdurig kan zijn. Een andere bijzonderheid van Tropheus is de zogenaamde "pseudo-spawning". Dit wil zeggen dat het wijfje niet paringsgereed is maar het mannetje denkt van wel. Het wijfje speelt dan mee "voor de grap". De hele procedure wordt dan helemaal afgewerkt met één verschil : het wijfje legt geen eieren. Dit schijnparen komt meestal voor één of twee weken voor het echte kuitschieten plaatsvindt. Wanneer men ziet hoe geduldig het mannetje te werk gaat bij de paring is men toch verbaasd. Men zou verwachten dat de polygame Tropheus heel wat minder tijd zou besteden aan één enkel vrouwtje. Het is alsof de Tropheus-man een monogame verhouding aangaat voor de duur van een paar dagen, waarna de dieren elk weer hun eigen weg gaan. Dit geldt vooral voor de TM terwijl men bij de TD een enigszins vaste verhouding voor een langere periode waarneemt. Het paartje doet eerst verschillende "proefritten" over de paringsplaats. Juist voor het eigenlijke kuitschieten en in dat verband gaat het mannetje nog vlug even algen afknagen of er even aan nippen. Het ziet er allemaal erg gemotiveerd uit en schijnt geen verband te houden met de paring. Het zou kunnen dat het mannetje zich in een soort van stress bevindt en daarom een "oversprong" uitvoert. Dit fenomeen is ook gekend bij andere diersoorten. Deze "oversprong" heeft geen directe gevolgen voor het paringsspel. Het ritueel wordt enkel even onderbroken. Die "oversprong" komt helemaal niet voor in verband met gevechtshandelingen of andere gedragingen.

Wanneer de inleidende formaliteiten achter de rug zijn gaan de dieren over tot de feitelijke paring, het leggen van de eieren en de bevruchting ervan. Bij het paren glijdt het vrouwtje op haar zij, dicht bij de uitgekozen plek. Het mannetje hangt in een overeenstemmende zijdelingse houding rond de paringsplaats en vormt zodoende met het vrouwtje kop tegen staart een cirkel. Beiden glijden een paar maal rond in deze cirkel zonder dat er eieren gelegd worden. Het legapparaat van het vrouwtje, een doorzichtige buis, is maximaal naar buiten gekomen. Deze buis heeft een diameter van 2 à 3 mm. Ze is flexibel en zet zich uit om de grote eieren te laten passeren. De legbuis van het vrouwtje komt tevoorschijn verscheidene dagen voor de eigenlijke paring plaats heeft en dikwijls ter gelegenheid van de vroeger beschreven "pseudo-spawning". De eieren zijn gemiddeld 5 mm in diameter maar kunnen nog groter zijn bij grote en oudere vrouwtjes. Deze eieren mogen in de cichlidenwereld beschouwd worden als zeer groot.

In vergelijking met andere muilbroedende geslachten produceert het kuitschietend vrouwtje van Tropheus slechts een klein aantal eieren. Dit plaatst het geslacht Tropheus bij de hoogst ontwikkelde cichliden van de wereld.

Gezien de lange tijd van de paring zou men denken dat het vrouwtje vele eieren afzet. Normaal legt zij slechts 10 à 12 stuks af. Bij vissen in gevangenschap werden toch al grotere worpen gezien, zelfs tot 30 stuks. Dit is waarschijnlijk een gevolg van de goede conditie waarin ervaren aquariumliefhebbers van heden hun kweekdieren kunnen brengen voor de paring plaats heeft. In de natuur heeft Tropheus niet zoveel vijanden, in het aquarium heeft hij er meestal geen.

Tijdens de paring zet het wijfje één ei per keer af, waarna zij zich bliksemsnel omkeert en het ei met haar bek ophapt. Het mannetje gaat dan op zijn zijde liggen en geeft met een licht trillen zijn zaad af direct in de bek van het vrouwtje, terwijl zij met haar bek aan zijn aarsopening hangt. De eieren die zich reeds in haar mond bevinden zijn vanaf dan bevrucht. In dit stadium is er een fantastisch contact tussen het paar en de bodem van de paringsplaats. Het mannetje verstaat de kunst om met zijn aarsvin de bodem te volgen zodanig dat heel deze vin naar het wijfje gekeerd wordt. In de gevallen waarin de aarsvin van het mannetje voorzien is van duidelijke eivlekken, ziet het er juist uit dat er al een paar eieren gelegd zijn, die langzaam over de bodem rollen zoals echte eieren. Bij een wijfje dat voor de eerste maal kuitschiet kan dit proces heel wat tijd in beslag nemen.

Het wijfje kan juist voor het paringsspel, zich bedenken en zich terugtrekken naar een ander deel van het aquarium. De man bewaart intussen gewoonlijk zijn fatsoen en met zijn karakteristieke lokkende en sidderende bewegingen overtuigt hij normaal het vrouwtje om terug te komen naar de paringsplaats en de handeling weer op te nemen. De mannetjes van veel muilbroedende geslachten van het Malawimeer maken in dergelijke situatie veel sneller ruzie, en jagen het wijfje letterlijk de dood in, als zij niet direct bereid is het afgebroken paringsspel weer op te nemen.

Bij het paringsspel siddert het mannetje een ongelooflijk aantal keren. Ditzelfde sidderen komt ook voor bij een Tropheus in gevecht of wanneer hij bedreigd wordt door een serieuze tegenstander. Volgens Wolfgang Wickler zou dit "siddergedrag" seksuele gevoelens opwekken bij de tegenstander en de agressie daardoor afzwakken. Dit geldt zowel voor mannetjes als voor vrouwtjes onderling en ook voor een combinatie van beiden.

Voor het overige heb ik opgemerkt dat bij mijn Tropheus-vissen, waarbij de aquariumverlichting op vaste tijden ontstoken en gedoofd wordt, bijna altijd in de vroege morgen het paringsspel plaats heeft.

In de studie van M. Nelissen wordt aangetoond dat Tropheus-soorten voornamelijk 's nachts en bij het aanbreken van de dag erg actief zijn. Dit verklaart ook hun voorkeur van klanken tegenover kleurpatronen.

  • Tropheus moorii is actief van 18.00 h tot 10.00 h met een periode van sterke activiteit van 20.00 h tot 6.00 h.
  • Tropheus duboisi is actief van 20.00 h tot 10.00 h met een periode van sterke activiteit van 22.00 h tot 8.00 h.
  • Tropheus brichardi is actief van 2.00 h tot 16.00 h met een periode van sterke activiteit van 4.00 h tot 8.00 h.

Wanneer het paringsspel bezig is, is het Tropheus-mannetje zeer agressief tegenover nieuwsgierige indringers die wel eens een paar versgelegde eitjes zouden kunnen wegsnoepen, want hiervoor is de voorraad wel te klein. Ook hier ziet men een verschil met de Malawi-muilbroeders. Het territorium van het Tropheus-mannetje is zeer klein en hij aanvaardt dat eventuele bezoekers dichtbij komen. Andere muilbroeders zijn zeer agressief, ook buien hun territorium. Zij kunnen een indringer minutenlang opjagen wat het paringsspel onnodig onderbreekt en misschien zelfs definitief beëindigt. Het Tropheus-mannetje daarentegen is extreem agressief binnen zijn klein territorium en verzekert er zich zo van dat niemand het paringsspel onderbreekt. Het Tropheus-mannetje concentreert zich intens op zijn partner en men kan hem het wijfje zien helpen wanneer zij het moeilijk heeft een groot ei door de legbuis te persen. Het paar kan verschillende minuten stil hangen. Het mannetje stimuleert met zijn snuit de streek rond de legbuis van het vrouwtje. Het vrouwtje ontspant alzo en het ei wordt uigedreven. Er is nog een manier waarop het mannetje hulpvaardig kan zijn. Meer dan eens gebeurt het, dat het vrouwtje ondanks dat ze haar eieren vanuit de hoogte legt, een eitje over het hoofd ziet en verliest zodat het op de grond valt. Het mannetje raapt dan het eitje op en is zo intelligent dat hij boven het vrouwtje gaat zwemmen en het ei laat vallen. Het vrouwtje beschouwt dit als een nieuw gelegd exemplaar en neemt het instinctief in de mond waarna de paring onverdroten wordt voortgezet.

Dit heb ik ook al waargenomen bij Tropheus "Moliro". Het mannetje moest zelfs het ei enkele minuten vasthouden in de mond voor hij de juiste positie had boven het vrouwtje om het ei te kunnen laten vallen !

Wanneer het paringsspel het einde nadert kleurt het vrouwtje zich plots anders. Ze wordt minder sterk gekleurd en daardoor minder opvallend voor eventuele vijanden. Dat is erg praktisch wanneer men bedenkt dat ze nu geremd door haar kostbare last niet helemaal in staat is zich te verdedigen tegen eventuele vijanden. Onmiddellijk nadat de eieren gelegd zijn zwellen zij ingevolge de grote hoeveelheid eigeel tamelijk veel en eerst na 5 of 6 etmalen verminderen ze van grootte. Daarentegen groeit nu de larve en enkele etmalen later is er opnieuw plaatsgebrek.

Nadat het eileggen en de bevruchting geheel achter de rug zijn, doet het paartje nog enkele toertjes over de paringsplaats zoals bij de pseudo-paring. Dan trekt het vrouwtje zich terug in een schuilplaats tussen de rotsen. Daar blijft ze een korte tijd alvorens ze opnieuw opdaagt en haar plaats inneemt in de beschuttende gemeenschap.

Vele aquariumliefhebbers zijn geneigd nu in te grijpen in het natuurlijk proces, en vangen het wijfje uit het aquarium om haar in een quarantaine aquarium, eventueel voorzien van een omgekeerde bloempot, een buis of iets dergelijks onder te brengen. Het vrouwtje zit dan in dat bakje tot de jongen zijn uitgespuugd. Dit wordt gedaan omdat het wijfje niet verstoord zou worden door andere vissen tijdens haar broedperiode. Want zo redeneert men, ze zou wel eens zo kunnen schrikken dat ze haar eieren of zelfs jongen opeet. Dikwijls gebeurt dan het tegenovergestelde van wat men betracht. Het wijfje spuugt de eieren uit of ze eet ze op. Er zijn ook aquarianen die de wijfjes de eieren laten uitspuwen en deze eieren in een klein bakje "zelf" grootbrengen. Wanneer de eieren visjes worden midden deze diertjes echter het "spotten" met de moeder. Ze herkennen de eigen soort niet. Later wanneer het volwassen vissen is, zijn ze bijna allen een beetje "karaktergestoord". Voor de voortplanting zijn deze dieren ongeschikt !

Daarom is het beter het Tropheus-wijfje met rust te laten gedurende het muilbroeden. Ze kan alzo haar volwaardige jongen uitspuwen en laten opnemen in de aanwezige groep. Dit houdt geen gevaar in voor de jongen daar deze visjes zo goed ontwikkeld zijn dat ze uit zichzelf in staat zijn om bliksemsnel een schuilplaats te vinden. Ze zijn ook in staat om zelfstandig algen van de stenen te plukken of ander voedsel tot zich te nemen. Verder zwemmen kleine Tropheus-visjes graag rond in scholen onder het motto "met velen sterk". Tropheus-wijfjes nemen ook tijdens de broedperiode voedsel tot zich, al zijn het maar kleine hoeveelheden.

Dit is te verklaren doordat het wijfje zuiver instinctief weet dat haar muilbroedperiode lang duurt, en ze bijgevolg wat moet eten om deze periode door te komen.

De muilbroedperiode duurt normaal 25 à 30 dagen. Dan spuugt het vrouwtje haar eerste jongen. Tijdens de daarop volgende 10 à 12 dagen volgen de volgende jongen. Tijdens deze 12 dagen past ze wel zeer intens op haar eerste jongen daar deze door het plaatsgebrek in haar muil wel wat kleiner uitvallen dan de jongen die laatst uitgespuugd worden. Er zijn vele discussies over hoe lang een Tropheus-wijfje haar kroost verdedigt tegen vijanden. Over het algemeen kan men stellen dat het wijfje hieromtrent niet zo bijzonder agressief kan genoemd worden. Dit kan verklaard worden door het feit dat ze haar kroost relatief gemakkelijk in het oog kan houden en agressiviteit is dan niet noodzakelijk.

De eieren zijn gemiddeld 5,5 à 6,5 mm lang en 3,5 à 4 mm breed en zijn dus ovaal. Ze zijn oranjebruin. Op de vijfde dag komt een kleine schaduwachtige vlek tevoorschijn op de buitenkant van de dooierzak en ook de ogen laten zich vermoeden. Op de zesde dag kan goed het hartje waargenomen worden en de ontwikkeling van het lijfje wordt meer duidelijk. Op de zevende dag kippen de eieren en hebben we Tropheus-larven. Ze kunnen niet zwemmen maar wel met de staart sidderen en zien. Op de dertiende dag komen de pigmenteringen van de dieren en op de vijftiende dag kan men zien hoe de flanken gekleurd zijn.

De larve ligt normaal op haar zijde en dit tot de 21ste dag. De 22ste dag springt het jong over kleine afstanden. (De zwembewegingen zijn kleine sprongen). Ze proberen dan wat voedsel te vangen, maar ze eten niets. Op de 27ste dag zijn de jongen normaal 13 mm groot en ze zwemmen goed. Af en toe zinken ze nog naar de bodem. Vanaf de 30ste zwemmen ze zonder rustpauzes op de bodem en ze nemen zelf voedsel. De eierdooierzak is opgebruikt rond de 34ste dag maar algemeen is dit niet. Bij een temperatuur iets boven de 25 °C kan men het ontwikkelingsproces wel enkele dagen bespoedigen. Toch neemt het Tropheus-vrouwtje het broed nog tot zich, maar echt beschermen doet ze haar jongen niet.

Het lage aantal van eieren en jongen, gecombineerd met het lange muilbroeden en de bewakingsperiode tonen ons nog eens aan dat we hier te doen hebben met een hoog ontwikkelde cichlide. De Tropheus produceert weinig jongen, die evenwel groot en levenskrachtig zijn en de soort heeft normaal gezien een zeer klein percentage aan verliezen in dit stadium. Wanneer de jongen uitbreken na 34 dagen in een gezelschapsaquarium, zoeken ze onmiddellijk eigen schuilplaatsen. Alleen in een zeer klein aquarium kan men dan nog de jongenverzorging vaststellen.

Misschien is het wel zo dat Tropheus in de natuur een minder ontwikkelde zorg voor zijn jongen aan de dag legt dan in onze aquaria. Er is een theorie die zegt dat Tropheus in de natuur helemaal niet territoriaal is. Tropheus zou in grotere scholen dan algemeen aangenomen rondtrekken en dit over een afstand van 500 meter. Deze grote scholen zouden geen gesloten groepen vormen, omdat wanneer de school voedselzoekend rondtrekt in de kustzone er nu en dan leden achtergelaten worden terwijl anderen de school vervoegen.

In het maandblad "Cichlidae" van augustus 1992 lezen we het volgende :

(Een studie geschreven door Yasunobu Yanagisawa & Mutsumi Nishida die als titel draagt : The Social and Mating Systems of the Maternal Mouthbrooder Tropheus moorii in Lake Tanganyika en verscheen in de Japanese Journal of Ichthyology).

Mannetjes zowel als vrouwtjes zouden een eigen voedselterritorium onderhouden. De mannetjes bezetten hierbij hogere rotsen dan de vrouwtjes. De vrouwtjes verlaten hun territorium om te paren. Gedurende een periode van drie weken voorafgaande aan de daadwerkelijke paring, blijft het vrouwtje in het territorium van het mannetje. Vermoed wordt dat vrouwtjes in hun eigen territorium niet voldoende voedsel kunnen vergaren om de eieren voldoende te laten rijpen.

Masanori Kohda schreef het artikel : Intra- and Interspecific Social Organisation among Tree Herbivorous Cichlid Fishes in Lake Tanganyika. Behalve Tropheus moorii (TM) komen in dit artikel ook Petrochromis trewavasae (PT) en Petrochromis orthognathus (PO) voor. Deze soorten moeten twee of drie verschillende territoria in stand zien te houden.

  1. De directe omgeving van de paaiplaats.
  2. Het voedselterritorium.
  3. Een gebied waaruit concurrerende, gelijksoortige mannetjes worden geweerd.

Kohda geeft veel interessante informatie. Zo is soms een mannelijke TM niet meer in staat zijn territorium te verdedigen tegen PO nadat de PT daar was weggevangen. Onder andere omstandigheden bleek PT echter weer afhankelijk te zijn van TM om datzelfde doel te bereiken. Volgens de auteur bepalen de onderlinge verhoudingen in een interspecifieke samenleving de wijze waarop "gildes" worden gestructureerd en in stand gehouden.

Tot daar het artikel in Cichlidae.

Omdat Tropheus zulke kleine broedsels heeft zou men denken dat het kuitschieten dikwijls plaats vindt. Ingevolge de lange muilbroedperiode en de daarop volgende broedverzorging, de regentijd en het wisselende voedselaanbod gebeurt dit in regel slechts 2 à 3 maal per jaar. In het aquarium kan men de omstandigheden verbeteren en tot 6 worpen komen. Worpen die kunnen variëren tussen de 5 en de 30 stuks. Volgens Tropheus-verzorgers is er wel moeilijk een lijn te trekken in het aantal worpen per jaar van één enkel vrouwtje en is er geen merkbaar verschil in ei- en jongenaantal tussen de verschillende Tropheus-soorten.

Het paringsgedrag zelf wijkt ook niet wezenlijk af van de ene soort tot de andere en deze beschrijving mag als algemeen aanzien worden. Het vredelievende gedrag bij de broedverzorging komt goed overeen met het geduldige gedrag bij de paring. Deze vredelievende trekken komen vrij veel voor bij een geslacht zoals Tropheus dat biologisch als agressief betiteld wordt.

Vooraleer het vechten begint komt het meermaals voor dat een meer vredelievende houding vertoond wordt die dikwijls de actieve vechtfase overbodig maakt. Dit vredelievende gedrag heeft als enig doel de agressie van de tegenstander te milderen. Het is gewoonlijk het zwakste individu dat deze vredespoging onderneemt, in de hoop een gevecht te kunnen vermijden.

Bij cichliden in het algemeen maakt de zwakste zich kleiner door zijn vinnen samen te klappen, zich onzichtbaar te maken en alle sterke kleuren van zijn lichaam te weren om daardoor de voortzetting van het gevecht uit te stellen, het helemaal te beëindigen of te vermijden.

Bij Tropheus klappen de vinnen ook samen maar het primaire signaal bij zijn vredespogingen wordt gegeven door middel van kleuren en kleurpatronen tezamen met het sidderen van het lichaam. In werkelijkheid is dit een kopie van het besproken paringsgedrag. Twee agressieve Tropheus-exemplaren die met elkaar geconfronteerd worden (geslacht speelt hier geen rol) vertonen allebei hevige kleuren of kleurpatronen, die onmiddellijk doen denken aan de kleuren bij het paren, en de bedoeling is duidelijk genoeg. Door seksuele gevoelens bij de tegenstander op te wekken verzwakt diens agressiviteit en het verder zetten van het gevecht wordt op natuurlijke wijze vermeden. Dit is noodzaak omdat Tropheus in dichte populaties leeft waarin dergelijke confrontaties veelvuldig en onontkoombaar zijn. Dit gedrag is dus volkomen normaal in aquaria waarin de levensruimte beperkt is.

C. VECHTGEDRAG

Het vechtgedrag dat normaal volgt op de eerder beschreven vredelievende houding kan gemakkelijk ingedeeld worden in de volgende fasen :

  1. Dreigen.
  2. Staartslag.
  3. Krachtmeting mond aan mond.
  4. Flankbijten.

Het vechtgedrag is een fenomeen dat algemeen voorkomt bij de meeste cichliden. De Tropheus volgt dan ook voor een groot gedeelte het algemeen vechtpatroon van de cichliden, misschien wel op een meer gecultiveerde en verfijnde manier.

Wanneer het vredelievende gedrag niet heeft geholpen wordt er met het eerste deel van het vechtgedrag, namelijk het dreigen begonnen. De dreighouding van Tropheus is van zeer korte duur. Door hun communicatie via kleuren, sidderen en geluid maken de vissen snel uit wie de sterkste is. We zien nooit twee mannetjes lang naast elkaar staan om door te dreigen de tegenstander te doen opgeven en zijn biezen te pakken. Zo een langzaam dreigen zien we dikwijls bij Malawicichliden en in volstrekte tegenstelling tot de Tropheus gebeurt dit met uitgespreide vinnen.

De Tropheus gaat snel over tot het eigenlijke vechten. Door enkele geweldige staartslagen wordt het gevecht ingeleid.

Dit is in de meeste gevallen weer een fase van korte duur en dit wordt gevolgd door een krachtmeting waarbij de vechters zich vastbijten in elkaars mond of kaakpartij om de andere nog maar eens te overtuigen van zijn kracht. Op deze manier sleurt men dan de tegenpartij door het aquarium.

In de natuur houdt het vechten hier dikwijls op en de vissen zwemmen elk hun eigen weg. In het aquarium waar de ruimte beperkt is gaan de vissen dikwijls over tot de laatste en beslissende fase : het flankbijten. Met grote woestheid vallen ze elkaars meest kwetsbare plek aan, namelijk de flank. Het gevecht eindigt dan zeer snel en de zwakste partij mag zich gelukkig prijzen als hij er het leven niet bij laat. Deze laatste gevechtshandeling heeft al vele aquarianen kostbare Tropheus-exemplaren gekost, maar dit was ook een bewijs dat het aantal of de samenstelling in het aquarium fout was. Als de beide vissen nog in leven zijn zullen ze altijd weten wie de strijd gewonnen heeft en in de verre toekomst weten wie van hen hoger staat in de sociale rangorde. Dit vermijdt verdere gevechten en zorgt ervoor dat de hiërarchie in de gemeenschap volledig in evenwicht is.

HET UITZICHT VAN DE JONGEN EN HUN ONTWIKKELING IN DE EERSTE PERIODE NA DE GEBOORTE

In het algemeen hebben alle jongen van Tropheus-soorten dwarsstrepen over heel het lichaam. Toch kan men naargelang de tekening de jongen verdelen over verschillende groepen. Zo kan men in een vroeg stadium vaststellen tot welke soort jongen behoren. Ook de kleurpatronen ontwikkelen zich anders bij de verschillende soorten.

  1. De jongen van Tropheus moorii :
    Het lichaam is bedekt met "normale" lichte dwarsbanden op een zwarte achtergrond.
  2. De jongen van Tropheus moorii kasabae :
    Het lichaam is geelgroen en is bedekt met smalle gele dwarsbanden.
  3. De jongen van Tropheus brichardi :
    Op een bruingroene achtergrond staan "normale" lichte dwarsbanden.
  4. De jongen van Tropheus duboisi :
    Het lichaam is zwart en is bedekt met witte vlekjes.
  5. De jongen van Tropheus polli :
    Het lichaam is bruin en heeft lichte dwarsbanden.


1. De jongen van Tropheus moorii

De jongen van de TM hebben 7-8 gele dwarsbanden op een relatief donker lichaam. Alle vinnen zijn zwart. De rugvin is voorzien van een rode boord aan de bovenkant en deze kleur is het sterkst op het voorste gedeelte. Het oog is goud met zwarte pupil. Ik zal de roodgele Burundi (Rutunga) variant van de TM als voorbeeld gebruiken om de verdere kleurontwikkeling te beschrijven.
In het begin en tot ca. 25 mm grootte zijn de dwarsstrepen geel over de hele lengte en alle dwarsstrepen doorsnijden de totale hoogte van het lichaam. Vanaf 25 mm begint de vorming van de breedgekleurde dwarsband die zo karakteristiek is voor deze variant in volwassen toestand. Deze band wordt gevormd doordat de gele dwarsstrepen in sterkte afnemen van buitenaf naar binnen toe. Dit van de mond en ongeveer de helft van de aarsvin tot in het midden van het lichaam. Blijven over : Het bovenste deel van de tweede en de vijfde dwarsstreep samen met het onderste deel van de strepen drie en vier. De rest van het lichaam krijgt langzaam de zwarte kleur die behalve in schriksituaties de rest van zijn leven deze vis zal kleuren. De overblijvende strepen smelten de volgende maanden samen tot een breder geheel, dat normaal voor deze variant geel wordt aan de bovenkant en roodachtig beneden.
Verder komt er een kersrode vlek tevoorschijn in de rugvin onmiddellijk boven de nieuw-gevormde dwarsband. Dit proces gaat normaal door wanneer het dier tussen de 25 mm en de 50 mm groot is. Bij de jongen van dezelfde soort hebben de noordelijke varianten van TM bredere, doch vagere dwarsbanden dan deze van het zuiden. Het kan soms moeilijk zijn de jongen van verschillende soorten van TM uit elkaar te houden. Jongen van het noorden en het zuiden daarentegen kan men gemakkelijk onderscheiden in het jeugdstadium.

2. De jongen van Tropheus moorii kasabae

Jongen van TMK hebben normaal tussen de acht en tien gele dwarsbanden op een bruin- tot roodachtige grondkleur. De vinnen verschillen merkbaar van deze van de noordelijke typen van de TM. De rugvin is bijna totaal roodkleurig, het zachte vlies tussen de harde vinstralen (spines) is bloedrood. De staartvin is bijna doorzichtig. De aarsvin is ook doorzichtig maar donkerder. Ze is voorzien van "een beetje" rode kleur in de vorm van kleurvlekken die men niet mag verwarren met de eivlekken die dikwijls volwassen exemplaren van deze soort sieren. De borstvinnen zijn doorzichtig. De buikvinnen zijn vooraan lichtblauw; dan iets rood en achteraan doorzichtig.
Tussen de ogen, op neus en voorhoofd, bevinden er zich twee à drie dwarsbanden van dezelfde gele kleur als de banden op het lichaam. Het oog is goudgeel met zwarte pupil en een roodachtige nuance op het bovenste deel. Dit uitzicht geldt zoals bij TM tot ongeveer 25 mm grootte. Van dan af, tot de volwassen grootte, verloopt de kleurontwikkeling anders dan bij de andere Tropheus-soorten. De dwarsstrepen die zoals bij de zuidelijke varianten van de TM zeer smal en regelmatig verdwijnen, maar niet totaal en niet op dezelfde wijze als bij de voorheen besproken variant van de TM.
De banden blijven bij de vrouwtjes duidelijk zichtbaar op het bovenste deel van het lichaam, terwijl de banden op het onderste deel van het lichaam in sterkte afnemen en bijna geheel verdwijnen in het gearceerde deel van fig. 2.
Bij de mannetjes van TMK verdwijnen de banden totaal en het gehele lichaam krijgt een roodachtige schijn. Ik moet er wel aan toevoegen dat zulke eenkleurige mannetjes in staat zijn hun streeptekening terug aan te nemen, bij TM gebeurt dit niet. Uit het voorgaande blijkt dat we hier te doen hebben met een ongewoon kleursterke cichlide. Het ongewone zit hierin dat de jongen in dit vroege stadium zo stralend van kleur zijn en hierdoor meer in het oog vallen van potentiële vijanden.
De jongen van TMK worden dikwijls verward met jongen van de zuidelijke types van TM. Om hen te onderscheiden van de overige Tropheus-soorten zijn er geen problemen.

3. De jongen van Tropheus brichardi

De jongen van TB zijn ook gestreept. De grondkleur van het lichaam is bruin en de acht à negen dwarsbanden zijn lichtgeel.
De vinnen zijn bijna doorzichtig maar met een zwakke geelgroene schijn. De rugvin kan lichtrood omzoomd zijn. De voorkant van de buik- en aarsvin is bruin. De aarsvin kan reeds in het 25 mm stadium versierd zijn met oranjerode eivlekken. Deze eivlekken zullen blijven, ook in de volwassen toestand van de vis. Het oog is lichtblauw tot lichtpurper met een zwarte pupil. De bovenkant van het oog is bruinachtig getint. Het hoofd is eenkleurig geelbruin zonder een spoor van dwarsstrepen. De kleurontwikkeling van TB is zoals op fig. 3 aangegeven. De dwarsstrepen verdwijnen zoals aangegeven op deze figuur. Er blijft een zadelvlek en een buikvlek over. De kleur van deze vlekken is een combinatie van geel en wit, wanneer deze cichliden ongeveer 50 mm groot zijn. De dwarsbanden die de TB op hoge leeftijd kan krijgen zijn mogelijk nog restanten van de jeugdstrepen. Men kan zeggen dat deze dwarsbanden erg overeen komen met de TM types van het noorden, dus een beetje vaag. De jongen van TB zijn makkelijk te onderscheiden van de andere Tropheus-soorten, doch de jongen van de verschillende TB varianten zijn zelfs door de "specialisten" moeilijk van elkaar te onderscheiden.

4. De jongen van Tropheus duboisi

De jongen van TD verschillen wezenlijk van de jongen van de andere Tropheus-soorten. De jongen zijn gevlekt. Op de zwarte grondkleur staan een massa witte vlekjes. Deze vlekjes zijn ongeveer 1 mm groot en blijken bij nader toezicht geordend te zijn in zes à zeven rijen die ook het bekende streeppatroon vormen zoals bij de andere besproken Tropheus-jongen. Het aantal witte vlekjes per dwarsband is niet regelmatig en hetzelfde geldt voor de grootte van de afzonderlijke vlekken.
Deze cirkelvormige vlekjes komen bijna overal op het fluweelzwarte lichaam van het jonge visje voor. Op de rugvin, de neus, het voorhoofd, de kaken en soms zelfs op de staart- en aarsvin. Het oog is goud, met een zwarte pupil. De boven- en onderkant van het oog zijn zwart zodat het er op lijkt dat er een dwarsband door het oog gaat. Het visje ziet er zo uit tot het 25 mm groot is. Dan beginnen de witte vlekjes te verdwijnen van buiten naar binnen in de gearceerde delen zoals te zien is in fig. 4. Normaal blijft er dan een witte, gele of witgele band over naargelang de herkomst van het jong. Normaal komt deze band tussen de derde en de vierde dwarsstreep. De TD is later op geen enkel ogenblik in staat de vlekjes van de jeugdtekening tevoorschijn te brengen. De vlekjes van de jongen zullen altijd wit zijn ongeacht de kleur van de band van de volwassen vis. De jongen van de TD kan men zeker niet verwarren met de jongen van de andere Tropheus-soorten. Jongen van de verschillende TD varianten daarentegen zijn moeilijk zoniet onmogelijk uit elkaar te houden. Pas op een grootte van 50 mm kan men zeker zeggen bij welke variant het jonge visje behoort.

5. De jongen van Tropheus polli.

De jongen van TP hebben een zeer eenvoudig ontwikkelingspatroon. De jongen zijn dwarsgestreept met ongeveer tien dwarsbanden. De grondkleur is lichtbruin en de olijfkleurige banden zijn enkel wat zwakker gekleurd dan bij de volwassen exemplaren. De dwarsbanden van de jongen lopen bijna doorheen de gehele rugvin. De kleurontwikkeling naar een volwassen TP bestaat hierin dat alleen de bovenste streeptekening in het gearceerde deel van de fig. 5 verdwijnt in de rugvin. Met de ouderdom nemen het bruin en het olijfgroen in sterkte toe. Eigenlijk verandert TP weinig bij het volwassen worden. Bij de mannetjes verdwijnen wel de dwarsbanden en komt men tot een egaal gekleurde vis.
De volksnaam van TP is "wimpel-moorii". De jongen hebben de karakteristieke wimpelstaart nog niet. Deze ontwikkelt zich bij de mannetjes mooier dan bij de vrouwtjes. Ook de donkere vlek in de omgeving van de staartwortel vindt men nog niet bij de jongen, deze is alleen bij grote en oudere exemplaren duidelijk afgetekend.

 6. Tropheus-jongen in het algemeen.

De jongen van de Tropheus-soorten zijn dus heel erg verschillend in hun kleurontwikkeling naargelang de soort waartoe ze behoren. Ondanks de zichtbare onderlinge verschillen in kleur en kleurtekening zijn de Tropheus-vrouwtjes, enkele dagen na de geboorte niet meer in staat hun eigen jongen te onderscheiden van die van de andere Tropheus-soorten en varianten. Dit is bewezen door verschillende proeven in aquaria waar de wijfjes even graag "vreemde" jongen in de mond opnemen bij gevaar of als de jongen hierom vragen. In het algemeen zijn de jongen van Tropheus-soorten stralender van kleur dan de jongen van de meeste andere Tanganyika cichliden. De Tropheus-jongen zijn allen gestreept, of het nu duidelijke strepen zijn of strepen gevormd door vlekjes. Het algemeen voorkomen van dit streepjespatroon heeft een duidelijke camouflage bedoeling, want de jongen van alle Tropheus-soorten zwemmen in laag water, waarvan het oppervlak bij de minste wind of de minste storing gebint te golven en aan de bodem door het zonlicht een flikkerend uitzicht geeft. Voor andere dieren maken de strepen het een stuk moeilijker om deze jonge diertjes in het oog te krijgen.

Ook in de zoogdierenwereld wordt deze camouflagetechniek toegepast. De jongen van de tapir zal ik als voorbeeld gebruiken. De jongen van de Indische tapir (Tapirus indicus) zijn gestreept of gevlekt zoals een TD-jong en dit is hem zeer nuttig in zijn natuurlijke omgeving. De Skaberaktapir krijgt ook jongen met witte strepen en vlekken op een zwarte ondergrond. Deze strepen verdwijnen in de loop van een jaar, wat ongeveer ook geldt voor de jeugdtekening van vb. de TD. De volwassen Skaberaktapir krijgt zoals de TD een reuzengrote witte buikgordel, die gevormd wordt onmiddellijk voorbij de voorpoten en helemaal tot aan het achterlijf reikt waar hij afgesloten wordt door een zwart stuk.

De tapir van Midden- en Zuid Amerika (Tapirus terrestris) is in volwassen toestand helemaal eenkleurig bruin maar de jongen hebben ook de streep- en vlektekening. In het algemeen groeien de Tropheus-jongen langzaam. Dit komt misschien door hun basisvoedsel, de algen die niet zo'n krachtige kost zijn als bvb. insecten.

In gevangenschap kan men de groei stimuleren door verschillende vormen van voedsel te geven. Pas uitgekomen Artemia salina en groenvoer in de vorm van gedroogde alg zijn voeders die de jongen wel snel zullen laten groeien. Artemia heeft ook het voordeel dat het de jongen een sterke kleur geeft. Ik heb verder ervaren dat deze natuurlijke gevoede jongen sneller voortplantingsrijp zijn en dat ze doorlopend meer jongen produceren dan al te snel opgefokte exemplaren die te vette kost hebben gekregen. De aquariumliefhebber die met geduld en plezier zijn jongen groot brengt leert zeer veel over het geslacht Tropheus. Wanneer men het geslacht Tropheus wenst te bestuderen moet men een groep van kleine visjes aanschaffen en de opgroei van deze dieren opvolgen vanaf het jeugdstadium tot de volwassen cichlide.


HET SAMENLEVEN VAN TROPHEUS MET ANDERE TANGANYIKA CICHLIDEN

Voor ons aquariumliefhebbers kan het van belang zijn te weten met welke andere cichliden Tropheus-soorten samenleven in de natuur. Door Tropheus-dieren in het aquarium te zetten met verkeerde cichliden kan het onmogelijk zijn Tropheus op de voor hem vereiste manier te houden.
De rotskusten van het meer, waar Tropheus-dieren leven, zijn ook de habitat van verschillende andere cichliden. Deze vissen komen ook alleen daar voor en hebben ongeveer hetzelfde voedsel-zoek gedrag als bij Tropheus. Er zijn wel enkele verschillen.
Simochromis babaulti van de omgeving van Kigoma is een cichlide die veel lijkt op Tropheus. Hij komt ook voor in het rotsbiotoop maar in tegenstelling tot Tropheus die alleen de algen afgraast, is deze cichlide ook een "graver" en vindt hij ook voedsel in de bodemlaag. Indien deze Simochromis babaulti alleen zou leven van de algengroei op de rotsen zou er in datzelfde biotoop geen plaats zijn voor hem ... of Tropheus. De voedselconcurrentie zou voor een van beiden zeer nadelig zijn.
Tropheus leeft op vele plaatsen ook samen met de meeste types van de "paardeneuzen", zoals Eretmodus cyanostictus, Spatodus erythrodon en Tanganicodus irsacae. Dit zijn kleinere cichliden die in zeer laag water leven in de rotsbiotopen waar de kleinere stenen voor komen die goede schuilplaatsen bieden.
Ook enkele soorten van het geslacht Neolamprologus zijn vertegenwoordigd in het rotsbiotoop, maar deze zijn meer gespecialiseerd in het leven aan de rand van dit biotoop, in de zone waar de rotsbodem over gaat in zand. Dit wil zeggen dat ze hun voedsel gaan zoeken in het zandbiotoop en de rotsen gebruiken als schuil- en paringsplaatsen.
Van zo een type is Neolamprologus tretocephalus wel een van de meest voorkomende. Ook Chalinochromis brichardi en Chalinochromis species komen hier voor.
De leden van het geslacht Petrochromis komen ook voor in dit rotsbiotoop. Opnieuw lijkt het er op alsof de natuur de verschillende geslachten en soorten een zeer afgelijnd biotoop en een daarbij passende rol heeft toebedeeld want Petrochromis die een zuivere algeneter is komt nooit voor op dezelfde plaats waar ook Tropheus leeft. Men heeft bv. Petrochromis trewavasae zeer dicht bij Tropheus opgemerkt maar ook gezien dat de rotsen waar deze Petrochromis zijn algen afknaagde een grovere oppervlakte hadden dan de rotsen waar Tropheus ging grazen. Deze rotsen waren van een gladder type. Wanneer men de mond van Petrochromis bekijkt ziet men dat zowel de mond als de tanden buigzamer zijn dan deze van de Tropheus en dat stelt deze cichlide in staat om algen af te knagen op plaatsen waar Tropheus dit niet kan.
Het samenleven van de Tropheus met de geslachten hiervoor besproken ziet er harmonisch uit, iets wat we ook kunnen waarnemen in onze aquaria.
Onder elkaar zijn Tropheus vissen agressief maar tegenover andere geslachten en soorten zijn ze redelijk vreedzaam. Het is alsof Tropheus die andere soorten geen blik waardig acht, hoe ze zich ook gedragen. (Hij voelt zich iets meer vis).

Als een Tropheus te dicht bij het voedings- en paringsterritorium van een ander mannetje komt waar bvb. vrij zwemmende jongen worden bewaakt laat hij zich gewoonlijk goedwillig verjagen zonder enige vorm van protest. Hiervan kan ik u een voorbeeld geven.

In een 300 liter aquarium leefden meerdere Julidochromis families met jongen. In datzelfde aquarium had ik een massa volwassen Tropheus van verschillende soorten en kleurvarianten. Op een dag waren bij een wijfje van de Julidochromis regani enkele honderden jongen van ca. 10 mm "buiten op wandel". Ze bevonden zich boven in het aquarium in het open water, dicht bij elkaar. Ze waren een zeer gemakkelijke prooi voor de grote Tropheus vissen. Het wijfje van Julidochromis probeerde de jongen samen te houden terwijl ze tegelijkertijd woeste uitvallen deed naar de potentiële Tropheus-vijanden die te dicht kwamen, maar het was eigenlijk verspilde moeite. De Tropheus-dieren zwommen nl. verschillende keren door de groep zonder ooit naar een jong visje te happen. Dit illustreert toch wel dat men in het huiskameraquarium ook enkele andere soorten bij Tropheus kan zetten en Julidochromis-soorten zijn wel ideaal.

In de natuur leeft Tropheus natuurlijk ook samen met vijanden en een van de meest voorkomende is wel een andere cichlide, nl. Perissodus microlepis en Perissodus eccentricus, die uitgesproken roofcichliden zijn. Ze hebben zich gespecialiseerd in het verorberen van de vinnen en schubben van hun slachtoffers. In een proefaquarium heeft men aangetoond dat Tropheus het snelst leerde van alle cichliden de aanvallen van deze roofcichlide te vermijden, simpelweg door zich op te houden onder de rover die gewoonlijk aanvalt door van onderuit naar de buik van de mogelijke slachtoffers te schieten.

We moeten er ook aan denken dat Tropheus en vooral de jongen ook in water leven dat niet bijzonder diep is en dat daarom ook potentiële vijanden vanuit de lucht kunnen komen. Hier hebben we de visarend (Concuma vocifer). Vanzelfsprekend heeft hij zich niet gespecialiseerd in het vangen van Tropheus maar het is wel zo dat hij voorkomt nabij het Tropheus biotoop omdat we hier dikwijls dichte populaties in laag water zien en dat geeft automatisch betere voedingsmogelijkheden aan de visarend.

Buiten cichliden komen er toch ook vele andere vissen in deze rotsbiotoop voor maar het zou ons te ver brengen om daar op in te gaan en het zou niet actueel zijn met onze aquariumproblemen. Het evenwicht in de natuur is dus perfect en de enige factor die de wanorde brengt in deze verhouding is de mens die met zijn honger naar wetenschap en gewin op verstorende wijze ingrijpt door te proberen zoveel mogelijk van deze mooie en interessante cichliden te vangen.

CICHLIDEN DIE GELIJKENIS VERTONEN MET TROPHEUS

In het Tanganyikameer treffen we ook enkele cichliden aan die voor een deel aan Tropheus doen denken en die dikwijls verwisseld worden met soorten van hetzelfde geslacht.
Hiertoe behoorden onder andere soorten van de geslachten : Petrochromis, Simochromis en Pseudosimochromis.
De genoemde geslachten bestaan, zoals Tropheus, uit krachtig gebouwde cichliden met een relatief gewelfde voorhoofdpartij en met een krachtige brede mond die in vele gevallen extreem naar beneden gericht is.
Petrochromis trewavasae werd bij zijn intrede op de Europese markt in 1975 zeer populair en "Dr. Staeks moorii" genoemd.
Eerst bij het uitpluizen van de wetenschappelijke literatuur zag men in dat men fout was door deze vis een "moorii" te noemen. Petrochromis trewavasae is zoals Tropheus een donker gekleurde cichlide en is vooral gekenmerkt door zijn vele witblauwe vlekken over heel het lichaam. De vlekken zijn zoals bij de jongen van Tropheus duboisi en als men spontaan een volksnaam wilde geven aan Petrochromis trewavasae versta ik niet waarom men hem niet "Dr. Staeks duboisi" heeft genoemd.
Dit toont aan hoe gemakkelijk een foute naam zich over de gehele markt verspreidt en hoe velen deze foute benamingen over zich heen laten gaan zonder nadenken.
Ook Petrochromis polyodon, en vele nog niet beschreven soorten van het Petrochromis geslacht werden in die tijd met Tropheus verward.
Het geslacht Simochromis dat nog nauwer verwant is met Tropheus dan Petrochromis heeft ook voor naamsverwarring gezorgd bij de aquariumliefhebbers. Zo werd Pseudosimochromis curvifrons op de markt gebracht als "Zilver moorii". Een zeer vlotte en passende naam, maar weer werd bewezen dat zowel de kwekers als de handelaars te vlug waren geweest met de naamgeving. Dit geslacht en deze soort in het bijzonder waren namelijk vroeger al beschreven door Max Poll.
Pseudosimochromis curvifrons is zoals de naam zegt een cichlide met een uitgesproken gewelfd voorhoofd. De voorhoofdspartij is een mooie boog naar beneden en de mond is geplaatst op het uiterste en laagste punt. De kleur is wisselend zilver met regenboogachtige schijn van groen en blauw. De aarsvin is bijna helemaal oranje en verder kan deze aarsvin bij het mannetje voorzien zijn van zeer grote oranjerode eivlekken.
Bij het geslacht Simochromis kennen we de soorten S. babaulti en S. diagramma die ook werden verwisseld met verschillende Tropheus-soorten door dezelfde oorzaken als bij Pseudosimochromis curvifrons.

Voor het overige kan men zeggen dat de genoemde niet-Tropheus-soorten (maar op Tropheus gelijkende cichliden) veel agressiever zijn en lastiger om te houden en dat ze alhoewel ze van nature ook muilbroeders zijn, de neiging hebben tot een weinig monogamie. De mannetjes kiezen één vrouwtje terwijl het Tropheus mannetje de voorkeur geeft aan een kleine harem. Wat de lichaamsvorm betreft zijn er ook niet-Afrikaanse cichliden die gedeeltelijk aan Tropheus doen denken maar die een heel ander parings- en voedselgedrag hebben.

HET BIOTOOP WAARIN TROPHEUS LEEFT.

Het Tanganyikameer, waar het geslacht Tropheus endemisch voorkomt hoeft niet nader voorgesteld te worden. Het meer is in detail beschreven door vele bekende auteurs, ook in verband met andere cichlidengeslachten en van de visfauna in het algemeen. Daarom worden hier alleen de aspecten behandeld die van nut kunnen zijn bij het dagelijks "verplegen" van de Tropheus-dieren en voor het "fokken" van zijn nakomelingen.

De kusten van het Tanganyikameer kan men onderverdelen in verschillende zones namelijk : rotskusten, zandkusten, overgangszones en moerasgebieden. Wij zullen hier alleen de rotskusten bespreken vermits Tropheus volledig gebonden is aan rotsgebieden en zich bijna nooit over langere afstanden in andere biotopen beweegt of in elk geval nooit lang.

Voor het speciale gebit van Tropheus is hier een natuurlijke verklaring voor. Dit is zoals we vroeger reeds gezien hebben volkomen aangepast voor het afgrazen van de algen en de Tropheus is dus wel verplicht daar te blijven waar hij zijn voedsel, dus algen vindt en deze groeien op rotsen in relatief laag water bij de kust.

Hoe lager de waterstand hoe meer algen tengevolge van de zonnestralen in de bovenste waterlagen en ook min of meer grotere "ontvankelijkheid" van de rotsen voor de algengroei speelt een rol. Het Tanganyikameer wordt door vier landen begrensd. In het noordoosten door Burundi, het ganse westen door Zaïre, het zuiden door Zambia en ongeveer 500 km van de oostkust is Tanzania.

Het meer heeft een oppervlakte van 34.000 km² (België 30.500 km²). Het meer heeft een lengte van ongeveer 650 km, is op de breedste plaats 80 km breed en heeft een maximale diepte van 1.470 m. De watertemperatuur komt het ganse jaar door nooit onder de 24(C en de pH varieert tussen de 8,8 en de 9,3. De zichtbaarheid doorheen het water is ongeveer 15 m in optimale wind- en weersomstandigheden. In de bloeiperiode van de algen vermindert de zichtbaarheid al snel tot enkele meters. Bij de riviermondingen komt er ook slib en andere rommel in het meer en dit vermindert ook de zichtbaarheid ter plaatse. Tropheus houdt zich altijd op bij de rotsen waar het water meestal, omdat er geen bodemslib ligt, zeer helder is.

Hiernaar moeten wij dan ook streven in onze aquaria. In 1975 bezocht een Noors aquariumliefhebber het meer in Tanzania en bij die gelegenheid bezocht hij het vangststation van Pierre Brichard in Burundi in het noordoostelijk deel van het meer waar hij enkele waterontledingen uitvoerde waarvan de resultaten de volgende waren :

pH: 8.9

DH (totale hardheid) : 10.6

Geleidend vermogen : 590 µS

Calcium: 8.5 mg/l

Magnesium: 41.0 mg/l

Natrium: 62.0 mg/l

Kalium: 24.0 mg/l

Koper: <0.2 mg/l

Mangaan: < 0.1 mg/l

Zink : < 0.05 mg/l

Ijzer: < 0.2 mg/l

Chloride: 23.0 mg/l

Sulfaat: < 1.0 mg/l

Fosfaat: ca 2.0 mg/l

Jodide, Bromide: 1.0 mg/l

Carbonaat: 250.0 mg/l

Gloeirest: 405.0 mg/l

(Wateranalyse Tanganyikameer op 27/2/1975).

De temperatuur van het oppervlaktewater ligt het hele jaar door tussen 24 °C en 27,5  °C met een dagelijkse variatie van 0,5 tot 1 °C. Dit geringe verschil in temperatuur tussen het oppervlaktewater en bodemwater belet de vermenging van het zuurstofrijke oppervlaktewater met de zuurstofloze bodemwater, want er kunnen geen convectiestromingen optreden. Ten gevolge hiervan ligt het zuurstofrijke water als een kussen op het bodemwater. Wie iets van waterchemie kent en ook de eisen kent waaronder Tropheus-vissen moeten gehouden worden weet dus nu dat er geen problemen (op waterchemisch gebied) kunnen zijn om deze vissen te verzorgen. Ook het kopiëren van de rotskust zou ook geen problemen mogen geven. Het bekijken van de veelvuldige onderwaterfoto's moet toch genoeg inspiratie geven. Voor het rotsbiotoop kan men ronde keien, ter grootte van een hand of groter gebruiken. De stenen hebben liefst een glad oppervlak want ook in het biotoop is dit zo. Hoe dichter men bij de kust komt hoe meer de stenen en de rotsen gladgeslepen zijn van het ondiepe water. In de natuur zorgt de constant sterke zonneschijn op de oppervlakte van de bovenste rotsen voor een maximale begroeiing met algen. Door de moderne aquariaan wordt de zon vervangen of nagebootst door lampen, zelfs de lengte van de dag kan men zelf bepalen door middel van een eenvoudige tijdsklok.

Door de sterkte en de kleur van onze lampen juist te kiezen zijn we in staat onze Tropheus te voorzien van zijn natuurlijk voedsel, nl. algen. De vraag is wel of we in ons aquarium voldoende algen kunnen voortbrengen om als hoofdvoedsel te dienen voor onze dieren. Een juiste verhouding tussen het aantal dieren en de grootte van het aquarium zal er hier zeker voor zorgen dat de cichliden in flinke conditie te houden zijn uitsluitend met de algen als voeding. Om even terug te komen op de waterchemie kan vermeld worden dat op veel plaatsen het gewone leidingwater zeer goed geschikt is voor de cichliden uit het Tanganyikameer en men moet zich dus het hoofd niet breken over de waterhuishouding op chemisch vlak. Liefhebbers die minder geluk hebben met hun "kraantjeswater" kunnen per 1000 liter water 400 à 450 gram gips en 20 gram keukenzout toevoegen en daarna de pH-waarde van het water bijsturen met soda tot 8 à 8,5. Dr. Wolfgang Wickler die Tropheus meer dan 10 jaar bestudeerde wendde dit recept aan in zijn onderzoekingsaquaria. In de handel vindt de aquariaan verder up to date instrumenten en chemicaliën waarmee hij zijn aquariumwater kan controleren en aanpassen en dit met grote nauwkeurigheid.

Met betrekking tot het voeden met zelf gekweekte alen wordt wellicht door velen aan het goede resultaat getwijfeld maar een proef door mijzelf uitgevoerd op volwassen exemplaren van TD met geen ander voedsel dan deze algen slaagde zeer goed. De proef slaagde zo goed dat een TD wijfje na enkele maanden ging paren, eieren legde en de muilbroedperiode volledig doormaakte. De TD's waren in goede conditie. Dit wil zeggen dat ze mooi, slank en bijzonder levendig waren. Minder goed was het gesteld met enkele anderen in een ander aquarium die werden gevoederd met verschillende soorten voer. Ze waren molliger van uitzicht en niet zo vinnig in hun gedragingen. Ook waren ze minder geneigd tot paren en kuit te schieten als hun soortgenoten in het "natuurlijke" biotoop. Een noodzakelijke voorwaarde voor de groei van de "juiste" groene algen is dat het water naast de juiste specificaties en de juiste zoutconcentratie ook een kristalklare helderheid heeft. Bij de minste troebelheid worden de algen niet zo gezond groen als de Tropheus verkiest. Dit laatste probleem kan opgelost worden door veelvuldig water verversen door een goede filtering en een combinatie van beiden. In het Tropheus biotoop komt de Tropheus bijna niet in aanraking met de grondlaag en die grondlaag is dus niet echt noodzakelijk in het aquarium. Toch kan ze maar weggelaten worden in "zuivere" Tropheus-aquaria. Normaal wordt Tropheus samen met andere cichliden uit het meer in een aquarium gezet en vele vissen hebben een natuurlijke afhankelijkheid van deze bodemlaag.

Misschien beschouwen de meeste aquarianen de bodemlaag als een decoratief element omdat er in een specifiek opgebouwd Tropheus-aquarium helemaal geen andere vorm van versiering voorkomt (bvb. plantengroei). In het Tanganyikameer komen er natuurlijk zoals in alle grote meren planten voor maar dan hoofdzakelijk op de zandbodem. Onder de best gekende noemen we Myriophyllum, Nymphea en Vallisneria maar die zien we helemaal niet in het Tropheus-biotoop.

Op het eerste zich zou men denken dat een correct opgebouwd Tropheus-aquarium er maar eentonig uitziet maar ondanks alles is dit niet het geval. De vele rotsstenen overgroeid met groene algen en met een groep algenetende Tropheus-vissen die hun uitzonderlijke levensgewoonten opvoeren op en rond deze rotsen is vast en zeker één van de meest fascinerende belevenissen uit de aquariumwereld. Men ziet namelijk een biotoop zoals dit er echt uit ziet in het Tanganyikameer. Dit moet toch wel één van de doelstellingen zijn van de aquariaan : een biotoop willen nabouwen en dit doen met succes.

In de natuur leeft Tropheus voor ca. 80 % van de algengroei. De overige 20 % van zijn voeding bestaat uit Copepoda (roeipootkreeftjes) en dergelijke die zich in de algenlaag bevinden. In gevangenschap kan Tropheus zich aanpassen aan verschillende soorten voer. Wanneer men verschillende soorten droogvoer en Artemia te eten geeft aan deze vissen en er altijd rekening mee houdt dat men te doen heeft met een algeneter (planteneter en dus een lang darmkanaal) zal men kunnen genieten van zeer mooie vissen in het aquarium.

Het besluit van dit hoofdstuk moet zijn dat men moet streven naar een zo dicht mogelijke benadering van de natuurlijke omstandigheden. Doet men dit dan ontsnapt men aan vele problemen die men anders stuk voor stuk moet trachten op te lossen.

Aanmelden