Text Size

Neolamprologus pectoralis

Neolamprologus pectoralis
door jan Mannekens, clubblad september 2000.

Ik heb lang getwijfeld over de titel van dit artikel... Er kon evengoed staan "Uitdaging of problemen zoeken?" En hiermee is meteen de toon gezet.

Dat het hier om een niet zo populaire Tanganjika-cichlide gaat zal niemand ontkennen. In winkels zal je ze zelden aantreffen. En ook bij de liefhebbers is deze cichlide niet zo verspreid. Waarom? Alvorens deze vraag te beantwoorden wil ik de vis eens beschrijven.

 

Neolamprologus_pectoralis.JPG
N. pectoralis komt in de natuur voor langs de westelijke oever van het Tanganjikameer, tussen Tembwe II en Kapampa [1]. De lang gerekte cichlide wordt ruim 14 cm groot (vrouwtjes blijven iets kleiner). Qua lichaamsbouw heeft hij zeer veel mee van N. christyi, N. leleupi en N. cylindricus. Hij is echter niet zo opvallend gekleurd als bijvoorbeeld de leleupi. De naam pectoralis duidt op de grote borstvinnen (de lengte van deze vinnen is vergelijkbaar met de grootte van kop) die deze vis een mysterieuze aanblik geven.

Neolamprologus_pectoralis2.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De grootte van de borstvinnen zou deze vis toelaten om zich zeer nauwkeurig te kunnen bewegen en om zeer efficiënt voor zuurstoftoevoer te zorgen in de smalle holen die hij bewoont. N. pectoralis is een holenbroeder die in de natuur vrij zeldzaam is en voorkomt op dieptes van meer dan 15 meter [2].

Hij houdt zich op in de rotsen, waar hij zich op dezelfde manier als N. furcifer tussen het substraat beweegt, namelijk met de buikzijde steeds nauwkeurig het substraat volgend. Dat laatste is ook in het aquarium goed waar te nemen. De kleur van deze vissen varieert van licht- tot donkerbruin. Soms is het alsof de vinnen een gele schijn vertonen en soms vertonen de jonge dieren, die bij mij in het aquarium zwemmen, een lengtestreep. Dit is meestal zo als stress hebben.

Nu had ik deze vissen reeds een paar jaar terug gezien op de cichlidenbeurs. Ze zaten met een grote groep in een klein aquarium en niet tegenstaande ze niet zo kleurrijk waren, vielen ze mij op omwille van 2 zaken. Ten eerste hun spectaculaire borstvinnen en hun statige manier van bewegen en ten tweede hun prijskaartje. Ik geloof dat het toen 1000 BF/stuk was. Toen was ik helemaal niet bereid om een dergelijke prijs te betalen en ik had ook geen plaats. Dus... knappe vis, maar niet voor nu...

Vorig jaar op de tentoonstelling van Cichlidae had ik het geluk om na de opbouw Rene Kruter zijn vissen te zien inbrengen in zijn aquarium. En naast de toch wel indruk makende N. leleupi "Black throat" zat daar ook een volwassen koppel N. pectoralis. En ik werd weer enthousiast! Uiteindelijk bleek ook Wilfried Van der Elst N. pectoralis te hebben en nadat hij zijn dieren een eigen verblijf had gegeven waren de vissen nog gaan kweken ook! Vandaar dat ik een paar maanden terug een vijftal jonge dieren bekwam.

Nu veel ervaring heb ik nog niet met deze dieren, maar ik denk dat ik toch al het een en ander heb kunnen leren door het observeren van deze dieren. Het zijn zeker geen eenvoudige vissen. Hun onderlinge agressie is groot. Bij Wilfried harmonieren 3 dieren in een groot aquarium dat is ingericht met snelbouwstenen die zeer veel schuilplaatsen bieden en die ook gebruikt worden om in af te zetten. Eenmaal de vissen hun draai gevonden hebben in het aquarium is het zaak dit zo min mogelijk te veranderen. Zo bleek de rust compleet verstoord gedurende meerdere weken na het uitscheppen van een deel van de jongen. Bij mij kwamen de jongen, die toen een 3 cm groot waren, in een aquarium terecht van 100 cm groot en met als substraat een paar stenen. En reeds na een paar dagen begonnen ze vrij stevig op mekaar in te beuken. Op dit moment zijn de vissen van elkaar gescheiden en leven ze nog als eenzaten. Twee van hen zitten nog steeds in het originele 1 meter-bakje gescheiden van elkaar middels een ruit. En ook al zouden ze dat onderhand moeten beseffen, nog steeds proberen ze elkaar te lijf te gaan. Opvallend was (toen deze twee nog niet van elkaar gescheiden waren) dat desondanks hun vechtlust ik nooit een beschadiging aan staart, vinnen of lichaam heb kunnen vaststellen. Bij N. brichardi sneuvelen vrij snel staart en vinnen. Bij deze N. pectoralis, die volgens mij veel agressiever tekeer gaan, heb ik geen kleerscheurtje gezien. Gezien het feit dat ze in de natuur leven in zeer nauwe, diepe holen in de rotsen , zal ik hier rekening moeten mee houden bij de inrichting van hun definitieve verblijf. Misschien is dit wel de reden dat ze nu zo'n agressiviteit ten toon spreiden.

Het zijn dus zeker geen lieverdjes tegenover elkaar. Tegenover andere vissen zijn ze bij mijn weten niet agressief. Twee anderen zitten samen bij mijn opgroeiende Lamprologus meleagris en dat gaat vrij goed. Misschien is het aquarium te druk om nog op mekaar te jagen. Of misschien heb ik hier het geluk met een koppel te maken te hebben. Ik weet het niet. Vast staat dat ik op een gegeven dag alle vijf de vissen of misschien minder samen zal brengen in mijn gezelschapsbak samen met Lamprologus meleagris, Altolamprologus calvus en Julidochromis transcriptus "Gombi". Ik vind het in ieder geval een uitdaging, maar helemaal gerust ben ik niet, gezien de aard van de beestjes.

Dus nu kan ik eindelijk de vraag beantwoorden waarom deze vissen minder populair zijn:

  1. In de natuur zijn ze vrij zeldzaam
  2. Ze zijn niet meteen kleurrijk te noemen
  3. Ze zijn onderling als zeer agressief te bestempelen
  4. Ze zijn (misschien mede door punt 3) niet zo gemakkelijk te kweken
  5. Ze zijn duur in aanschaf

     

En zo zijn er misschien nog een aantal redenen te bedenken.  

Indien iemand ervaringen heeft met deze vissen mag hij die altijd in een artikel verwerken voor ons boekje, of anders op de vergaderingen tussen pot en pint ben ik maar al te benieuwd om die ervaringen te aanhoren en er iets uit te leren.

Bronnen:  

[1] Back to Nature - Gids voor de tanganjikacichliden, Ad Konings  

[2] Tanganyika cichlids in their natural habitat, Ad Konings

 

Aanmelden