Text Size

Gnathochromis permaxillaris

Broed en broedzorg van
Gnathochromis permaxillaris

Tekst: Donald J. Walz - Vertaling: Jan De Bie, clubblad januari 1998.

Gnat_per.jpg

Toen ik voor het eerst een foto van Gnathochromis permaxillaris (zie Konings, 1988) te zien kreeg, wist ik dat, als er zich ooit een gelegenheid zou voordoen om aan deze unieke cichlide te geraken, ik die kans niet zou laten liggen.

 

De soort is zeldzaam en moeilijk te vangen. Ze leeft in de diepe wateren van het Tanganyikameer. Er is mij verteld dat ze niet in scholen leven; er is heel wat moeite en zorg voor nodig om de weinige wildvang exemplaren die aan de hobbyisten beschikbaar gesteld zijn, te verzamelen en te verschepen. Ze moeten gevangen en gedecomprimeerd worden en geacclimatiseerd voor de verscheping. De meeste cichliden zouden weken nodig hebben om te recupereren van zo'n beproeving en zich aan het aquariumleven aan te passen, vooral als het om volwassen dieren gaat, die dikwijls schichtig, schuchter en, af en toe, moeilijk om aan aquariumvoedsel te wennen. Dus, toen ik twee volwassen G. permaxillaris op de kop had kunnen tikken, was ik voorbereid op een lange periode van pogingen om het hen naar hun zin te maken. Van de diepe wateren van het Tanganyikameer naar een bak van 400 l in Indiana is nogal een verschil !

Gnat_per2.jpg

 

 

 

 

Mijn vissen kwamen in uitzonderlijke goede conditie aan. Er waren geen seksuele verschillen te zien, zodat mijn kansen van een paartje te hebben binnengehaald, nogal gering leken. Op dat moment was mijn grootste zorg echter om ze aan het aquariumleven te acclimatiseren. Wat een verrassing : de volgende dag stortten ze zich als uitgehongerden op hun voer en binnen de week at het duo letterlijk uit mijn handen ! Ze bleken vrijpostig en nieuwsgierig, maar toch handelbaar te zijn. Bij hun aankomst waren ze goed 15 cm lang en werden ze bij vier volwassen Xenotilapia flavipinnis geplaatst. Ze vertoonden niet de minste agressiviteit tegenover die kleinere soort. Gedurende de volgende maand bleven hun lange golvende buikvinnen maar groeien, werden de helderblauwe glinsterende puntjes op hun flanken intenser en zelfs hun "neus" werd langer. Ik geraakte aan deze vissen verslaafd : twee exemplaren waren niet genoeg ! Op een jaar tijd kon ik er nog elf binnenhalen en ze pasten zich allemaal net zo gemakkelijk als het eerste tweetal aan het aquariumleven aan. Ze worden helemaal niet geïntimideerd door bewegingen binnen of buiten de bak; ik neem aan dat er in de natuur op deze vis weinig jacht gemaakt wordt. Er is geen enkel spoor van roofzucht of agressiviteit tegenover kleinere vissen en geloof me, het is niet omdat ze er de bek niet voor hebben : een exemplaar van 20 cm lang kan zo ongeveer een golfbal verzwelgen !

Tot op vandaag heb ik, met uitzondering voor de grootte, nog geen enkel uiterlijk verschil in geslachten bemerkt. Mijn mannetjes zijn zo'n 23 a 25,5 cm groot geworden, mijn wijfjes goed 20 cm. Ik heb een uur na het kuitschieten de legbuis van het vrouwtje met de geslachtspapil van het mannetje vergeleken en ik zag weinig of geen verschil in grootte, wat bij cichliden ongewoon is : de legbuis van het wijfje is gewoonlijk 2 tot 3 maal breder dan de geslachtspapil van het mannetje.

Het eerste waargenomen broedsel was van de eerste twee aangekochte vissen. Het wijfje hield de eitjes zoals dat gewoonlijk bij muilbroeders gebeurt. Er ontstaat een hechte band tussen een G. permaxillaris paartje : alle andere vissen werden op zachte, maar vastberaden wijze uit de buurt van het broedterritorium gehouden. Tot op de dag van vandaag heeft dit oorspronkelijke paartje niet geprobeerd om van partner te wisselen. Dit eerste broedsel werd door het wijfje opgegeten, de eitjes waren mogelijk onvruchtbaar. Het duurde meer dan een maand om over de daaropvolgende depressie heen te komen, niet voor de ouders in spe, maar voor mij ! Na zowat 90 dagen had hetzelfde paar een nieuw broedsel, met hetzelfde resultaat. Na nog eens lang wachten (ditmaal vier maanden), kregen ze een derde broedsel. Ik nam de zaken in eigen handen en "oogstte" de eitjes onmiddellijk nadat de leg gedaan was. Het wijfje werkte tamelijk goed mee - een beetje te goed zelfs - en loste de eitjes in het net op bijna hetzelfde moment dat ze gevangen werd. Ik nam er voorzichtig de ongeveer 120 kleine witte eitjes (elk ter grootte van een speldekop) uit en verdeelde ze over alle soorten van incubators die er bestaan. Ze waren nogal kleverig en zagen er niet helemaal "in orde" uit. Dat bleken ze uiteindelijk ook niet te zijn, want niet een eitje kwam uit.

Zo'n week nadat ik het idee om ze voor de braadpan te fileren, had laten varen, verhuisde ik het paar naar een andere bak. Een tweede paar nam onmiddellijk de "grot" in die gevormd werd door een grote keramische pot die ik in de lengte in tweeën had gebroken. Het grotere mannetje schepte de kiezel naar buiten en daarna bleven de twee buiten om hun de wacht te houden bij hun "huis". Dit paartje had een broedsel drie maanden na het weghalen van het eerste paar. Ik speelde het spel kalm, in de veronderstelling dat ze dit enkel deden om mijn opwinding te kunnen zien, alweer mis ! Zes dagen na het kuitschieten, nam ik het wijfje weg, ze spuwde prompt zo'n 70 eitjes uit met - bingo ! - kopjes en staartjes ! Ik plaatste het broedsel in geventileerde kruiken en gaf ze pas uitgekomen pekelkreeftjes eenmaal de dooierzak geabsorbeerd was. Later werden ze naar bakken van 75 l overgebracht. Ze groeiden vrij snel en waren na 8 weken 2,5 cm lang. Drie weken na dit eerste geslaagde broedsel, broedde een derde koppel aan de andere kant van de 180 cm lange bak van 380 l, ditmaal in een open kuil dat door het mannetje was gegraven en met vergelijkbaar resultaat : ca. 60 jongen.

Gnathochromis permaxillaris zijn mogelijk biparentale muilbroeders. Bepaalde gedragingen van Greenwoodochromis christyi - beschreven door Neiman (1992) - heb ik bij mijn vissen waargenomen. Dit bevestigd zien, houdt in dat ik een paartje na het kuitschieten met rust zou moeten laten, maar daar heb ik het tot dusver nogal moeilijk mee !

Enkele tips i.v.m. het houden van G. permaxillaris. Ik gebruik hard kraantjeswater van een put met zware filtratie buiten de bak en drie sponsfilters in het aquarium. Tetra's Cichlid Vitale gebruik ik en om de twee weken ververs ik de helft van het water.
Belichting gebeurt 15 uur per dag en de temperatuur wordt op 25,5 °C gehouden. Het menu bestaat uit gewone vlokken, gevriesdroogde plankton en diepvries pekelkreeftjes. Tot slot moet de vis elke dag op zijn minst een uur bezichtigd worden: een heel aangename taak !

Eens hij zich in de handel gevestigd heeft, kan Gnathochromis permaxillaris de populariteit die Cyphotilapia frontosa bij de Tanganyikacichliden geniet, benaderen. Wat hij tekort komt aan kleur, maak hij goed door zijn golvende vinnen (de "linten" kunnen 15 tot 18 cm lang worden), zijn uniek voedingsgedrag, zijn aardig karakter en tenslotte zijn praalzucht !

ref. cit:

* Konings, A. 1988. Tanganyika Cichlids. Verduijn cichlids & Lake Fish Movies, Zevenhuizen, Holland.
* Neiman, M. 1992. Greenwoodochromis christyi, a biparental mouthbrooder. Cichlid News 1(4):22-23.

Aanmelden