Text Size

Lamprologus callipterus

Lamprologus callipterus
door Romain Van Lysebettens, clubblad februari '98

Ooit beweerde een vriend-aquariaan, dat er steeds wel in een van mijn draaiende aquaria een Lamprologussoort te vinden was!
Hij had gelijk; dit geslacht interesseert me persoonlijk enorm, vooral doordat ze zich in de loop der jaren hebben aangepast in en aan hun leefbiotoop, waardoor ze zo verschillen van elkaar.

Een van die soorten bekijken we dan ook eventjes van naderbij in deze tekst.

Lamprologus callipterus

Lamprologus_callipterus_1_.JPG

Bij deze roofzuchtig uitziende cichlide verliep de evolutie van kennis niet altijd in rechte banen, zowel op wetenschappelijk als op aquaristiek gebied. Een aantal jaren terug leerden we hem kennen als Lamprologus sp."Katabe"...daarvoor was hij nochtans reeds geïmporteerd als zijnde Lamprologus sp."Tembo"...en daarvoor nog was hij door Boulenger beschreven als zijnde Lamprologus callipterus. Je ziet: duidelijk voer voor ichtyologen.

Nochtans was de vergissing begrijpelijk, het geslachtsdimorfisme zal hierbij wel een niet onbelangrijke rol hebben gespeeld, maar daarover verder in de tekst.

Uiterlijke kenmerken.

Laten we het zo stellen; het zijn dieren die opvallen. Het lichaam is roodbruin met een gele schijn. De vinnen, en dan vooral de rugvin, geel en helderblauw diagonaal gestreept; de iris van de ogen citroengeel.
Het meest opvallend kenmerk is echter het verschil tussen mannetje en wijfje qua grootte. Wijfjes bereiken een lengte van 4 cm, terwijl mannetjes 12cm groot kunnen worden. Het is dus niet vreemd dat aanvankelijk zelfs in overweging werd genomen, dat het hier om twee soorten ging.
Het verschil in grootte tussen beide geslachten is echter in de cichlidenwereld veel voorkomend, maar toch hebben we hier te maken met een opmerkelijk afwijking.

Zijn leefruimte.

Deze in het Tanganyikameer endemische slakkenhuis-bewoner leeft op de vrije zandvlakten grenzend aan de rotszones. Zuivere keienzones zijn niet hun favoriete verblijfplaats, en daar treft men ze dan ook nauwelijks aan. Maar dus wel in de kuststreken met zuiver zand waar ze tussen de eilanden met plantengroei verblijven. Daar vertoeven ze in grote groepen van wel meer dan 50 (vooral mannetjes). In groep durven ze dan ook aanvallen uitvoeren, op zoek naar voedsel.

Hun gedrag.

Naast zijn uiterlijke kenmerken is deze ongewone slakkenhuis-bewoner ook qua gedrag een "buitenbeentje".
Het mannetje heeft de gewoonte zoveel mogelijk slakkenhuizen te verzamelen op een bepaalde plaats. Daartoe heeft hij eerst een vlak dal gegraven waar hij dan, via transport in de muil, de lege slakkehuizen in onderbrengt.
In deze slakkenhuis-nederzetting tracht hij dan 't liefst zoveel mogelijk wijfjes onder te brengen, waarbij hij dan ook later moet voldoen aan zijn mannelijke plichten en tussendoor de vele belagers (mededingers) moet weghouden uit zijn harempopulatie.
Dit samenlevingspatroon zorgt al snel voor een succesrijke voortplanting, maar ook voor (wie kan zoiets volhouden) een gestadige aflossing bij de mannen.

Het kweken.

Tijdens het baltsen is het mannetje mooist gekleurd, waarbij de intensieve zwarte randen aan de buikvinnen opvallen. Het vrouwtje daarentegen toont enkel een donker-zilverkleurig gevlekt camouflagepatroon.
De eiafzetting en het bevruchten heb ik spijtig genoeg NIET kunnen volgen. Ik wil hier echter nog enkele waarnemingen neerpennen welke ik kon vaststellen de dagen voordien en de daarop volgende.

  • de schelp met de eitjes werd door beiden verdedigd. Indringers werden verjaagd, toch zonder agressieve verwondingen aan te brengen.
  • het vrouwtje kan soms enkele dagen in de schelp vertoeven zonder haar één keer te vertonen.
  • onderlinge agressie tussen de veel grotere man en het kleinere vrouwtje heb ik niet kunnen waarnemen. Ik kon wel af en toe vaststellen dat het wijfje bij het "voorspel" zachtjes door de man in de flanken werd gebeten, maar zoiets gebeurde telkens zeer zachtjes...
  • Na het vrijzwemmen verlaten de jongen als zeer kleine dieren bijna allen samen het slakkehuis, zonder er terug in te gaan schuilen, wat bij mijn eerste nest met het verlies gepaard ging van alle kleintjes. De volgende populatie nam ik te samen met de schelp uit het aquarium vooraleer ze deze goed en wel konden verlaten.
  • Ze zijn erg klein maar groeien betrekkelijk snel bij een afwisselende voeding waarbij Artemia zeker niet mag ontbreken. Eigenaardig bij het groeiproces is dat het verschil tussen de mannetjes en de wijfjes pas te zien is als beiden ongeveer 2cm groot zijn. Vanaf dan pas kan men in dit groeiproces het verschil waarnemen.

Als slot kan ik u deze Tanganyikabewoner aanbevelen; al zult u bij de eerste kennismaking andere gedachten hebben.

Bronnen:"Das aquarium" maart 1990

Aanmelden