Text Size

Altolamprologus

Altolamprologus...een overzicht
door Wilfried van der Elst, clubblad maart '98.

 

A-comprs.jpg

In dit artikel zou ik eens een groep willen bespreken waarvan de laatste jaren regelmatig nieuwe kleurvarianten zijn verschenen. Ik wil het hier hebben over de Altolamprologini en meer bepaald over de A. compressiceps en A. calvus. Dit zijn vissen die onmiddellijk in het oog springen door hun speciale vorm. Dit is echter niet het enige speciale aan deze vis, hij heeft nog rariteiten in petto.

 

Aan zijn speciale vorm dankt hij ook zijn naam, want het lichaam is zeer sterk samengedrukt bij de A. compressiceps, bij A. calvus is dit iets minder waardoor deze laatste er wat langgerekter uitziet.

De A. compressiceps is al geruime tijd in de aquaristiek bekend, wellicht omdat het zulke sterke dieren zijn. Desalniettemin gold hij lange tijd als onkweekbaar. Hier heb ik toch sterk mijn twijfels over gehad want toen we een tiental jaren geleden in Duitsland met een paar aquarianen enige aquariumzaken bezochten zagen we toch diverse bakken staan die goed vol zaten met 2 tot 3 cm grote compressicepsjes (probeer dit eens tien maal snel achter mekaar uit te spreken). Die Duitsers kweekten ze volgens mij al een hele tijd. In die tijd was ik vooral geïnteresseerd in slakkenhuiscichliden en N. brichardi varianten, ik lag daar dus niet wakker van.

Tot op een dag tijdens de ruilbeurs van CICHLIDAE ik Dhr. L. Genie tegen het lijf liep. Hij stond daar visjes te verkopen die ik onmiddellijk herkende als A. calvus. Gezien de conforme grootte en het aantal moest dit wel nakweek zijn. Nu was mijn nieuwsgierigheid wel gewekt en Luc is iemand die altijd wel te vinden is voor een gezellige babbel.

Zo vertelde hij me dat hij ze kweekte in grote slakkenhuizen. Ik heb me er dan vijf aangeschaft en thuis werden ze ondergebracht in een bak van 100 x 50 x 40. Ze moesten deze bak delen met een aantal N. brichardi "Ndole Bay" en een koppel Chalinochromis brichardi.
Na het loslaten verdwenen ze onmiddellijk tussen de stenen die rijkelijk aanwezig waren, maar naarmate hun honger zich liet voelen verdween ook hun schuchterheid.
Na een week kwamen ze ongegeneerd hun portie voedsel naar binnen werken.
Dit erg schrokkerig, maar dit is nu eenmaal de aard van het beestje. In de natuur leeft hij vooral van jonge visjes en garnaaltjes. Op het wegroven van jonge Lamprologusachtigen is hij echt gespecialiseerd.

Als je nog eens een A. compressiceps of A. calvus uit het aquarium schept moet je maar eens met je vinger over zijn flanken voelen, dan zal je voelen dat deze zo hard aanvoelt als bij een plecostomus.
Als hij nu langzaam een nest jonge visjes benadert negeert hij alle waarschuwingen van de ouders wat natuurlijk niet zonder gevolg blijft.
Dit is echter het laatste waar onze rover bang voor is.
Als de ouders chargeren plaatst hij zich er letterlijk dwars voor en kromt zijn lichaam zodat z'n lichaam als het ware op een dienblad wordt aangeboden.
Door de harde huid kan hij zich echter zulke folietjes permitteren, tegelijkertijd schuift hij dichter naar het nest.
Als hij dan dicht genoeg genaderd is zal hij trachten om met een snelle uithaal er eentje te bemachtigen. Hij kan het zich dus niet veroorloven kieskeurig of geduldig te zijn, hij moet wel schrokken. Dit gedrag zit zo diep verankerd dat nakweekdieren het niet afleren.
Zelfs als er jongen tussen de stenen wegvluchten zijn ze nog lang niet veilig, want door zijn vorm is de A. compressiceps en zeker de A. calvus goed aangepast om z'n prooi te achtervolgen in de smalste spleten. Mocht dit niet voldoende blijken heeft hij nog altijd zijn uitstulpbare bek waarmee hij een vacuüm creëert zodat de prooi als het ware naar binnen wordt gezogen. In het aquarium valt dit gedrag heel goed mee, mits men hem goed voedert natuurlijk.

Het verdient ook de aanbeveling om in de bak een paar grote schelpen te leggen, uw dieren zullen die wel gebruiken als schuil- en broedplaats. Ja hoor, ze zullen zelfs kweken in het gezelschapsaquarium voor Tanganyika's, mits ze goed gevoederd worden en de waterkwaliteit een beetje aan de normen voldoet (pH rond 8,0 en heel belangrijk, zuurstofrijk water).
Als het vrouwtje een goed uitgezette buikpartij vertoont zal de aandacht van het mannetje snel getrokken worden. Een beetje later zal ook de legbuis zichtbaar worden. Het kleinere vrouwtje zal dan zo ver mogelijk binnenin de schelp haar eitjes afleggen. Telkens ze terug de schelp wil verlaten en de vinnen in achteruit zet (R) zal het mannetje dat inmiddels heeft postgevat voor de ingang van de schelp zijn homvocht lossen zodat het door de waaierbewegingen van het vrouwtje tot bij de eieren gestuwd wordt. Na de afzetting kan er makkelijk 3 weken overheen gaan zonder een spoor van jongen te ontdekken, dus niet te snel wanhopen.

Plots zal er leven te bespeuren vallen aan de ingang, dan zijn de jongen daar, die zijn goed te herkennen aan hun typische outfit. Er is een duidelijke oogstreep, op het lichaam een bruine camouflage tekening en het achterste gedeelte van het staartje is ook donker gekleurd, dit contrasteert sterk met de witte ingang van de schelp. Kort hierna zullen de jongen de schelp verlaten, als men dus jongen wil overhouden is het dus nu de tijd van handelen. Neem de schelp uit het aquarium en schud ze leeg in een apart opfokbakje. De ouders zullen hier geen traan om laten omdat ze vrijwel geen broedzorg uitoefenen. Ze beschermen enkel hun schelp, en zolang de jongen in de schelp verblijven kunnen ze van deze service gebruik maken. Maar als blijkt dat er geen kroost meer in de schelp zit zullen de ouderdieren al snel met de voorbereidingen beginnen voor een volgende afzetting.
De jongen opfokken stelt geen noemenswaardige problemen, maar ik heb wel ondervonden dat als voedsel pas uitgekomen artemia de voorkeur geniet.
Verder moet men regelmatig water verversen anders stagneert de groei van de jongen. Maar ondanks alles zijn het toch trage groeiers. Vroeger werd aangenomen dat A. compressiceps en A. calvus geen al te grote nesten voortbracht. Zo tussen de 30 à 70 jongen was al een goed resultaat. Dit was echter een groot misverstand, want als de omstandigheden perfect zijn (grote ouders, goed voedsel, aangepaste schelp, goed water) kan het aantal oplopen tot 200 stuks en meer (waargenomen bij A. compressiceps "Chinzanza").

Nu wat over de geografische varianten.

Oorspronkelijk was A. calvus enkel bekend als de zuidelijke variant van A. compressiceps, maar na een uitvoerige bestudering kwam men toch tot de conclusie dat deze vis moest ondergebracht worden als zelfstandige soort. Dit bleek wel noodzakelijk om het een beetje overzichtelijk te houden. Zeker toen achteraf nog verschillende geografische varianten van beide soorten boven water kwamen. Van de A. compressiceps kennen we nu de "Gold", "Goldhead", "Black", de prachtige variant van Motundwe island met zijn felrode borstvinnen, en toen ik begin dit jaar in Duitsland was heb ik daar een prachtige variant gezien met rondom rode vinnen en een geel lichaam. Ook van de A. calvus zijn verscheidene varianten bekend zoals de "Yellow" van N'dole Bay, de "White" van Cape Chatika en dan nog vrij recent de "Black" van Zaïre. Tussen deze laatste twee kan men pas goed het onderscheid zien als ze met de voorbereidingen bezig zijn voor de afzetting. Nu zal je misschien zeggen dat dit geen spectaculaire vissen zijn maar in de Tanganyikagezelschapsbak mag hij toch niet ontbreken. Hij geeft net dat ietsje meer als het er om gaat een stukje Tanganyikameer in de huiskamer te creë«ren. Zijn rustige manier van zwemmen houdt de balans in evenwicht met de rumoerige soorten zodat er een boeiend en uitgebalanceerd geheel ontstaat.

Aanmelden