Text Size

Cichliden uit het Tanganyikameer in het aquarium

Cichliden uit het Tanganyikameer … in het aquarium

Jan Mannekens, Aquarianen Gent

Nog maar eens een artikel over cichliden uit het Tanganyikameer? Ik weet het niet. Ik hoop in ieder geval iets te kunnen bijbrengen, aan hen, die al eens aan Tanganyika's gedacht hebben, maar niet goed de sprong durven nemen.

Zo'n 15 jaar lang worden mijn aquaria bewoond door cichliden uit het Tanganyikameer en in die 15 jaar heb ik slechts een beperkt aantal soorten gehouden, doordat ik mij moest beperken tot de soorten die ik in kleinere aquaria kon houden (ik heb nog nooit een aquarium gehad dat langer was dan een meter). Het spreekt voor zich dat de grotere cichliden (bijvoorbeeld Cyphotilapia frontosa) uit de boot vallen bij kleinere aquaria.

Een andere reden en misschien wel de belangrijkste, waarom het aantal soorten beperkt is gebleven, is dat ik echt gebiologeerd (geobsedeerd voor sommigen) ben geraakt door een aantal soorten. Dat het niet met alle soorten die ik heb gehouden even goed afliep zal ik in dit artikel zeker niet verstoppen, dus een 100 % succesverhaal is het zeker niet.

Het begon allemaal met de heel mooie en karaktervolle schelpbewoner Lamprologus meleagris. Deze kleine cichlide, die ik samen hield met Altolamprologus compressiceps 'Goldhead' en een school Cyprichromis leptosoma 'Mpulungu'€™, is een temperamentvolle vis, die zeker wanneer hij een nestje jongen heeft niet aarzelt grotere vissen of de hand van de verzorger weg te porren. Dit gezelschap was behoorlijk evenwichtig. De jongen van de Cyprichromis verdwenen na het vrijzwemmen vrij snel uit moeders bek (hoogstwaarschijnlijk in de bek van de A. compressiceps). Vandaar dat ik na enige tijd muilbroedende wijfjes apart begon te zetten zodat ik toch wat jongen overhield die ik met Artemia vrij snel tot 3 à 4 cm groot kreeg, waarna ze weer bij de papa's en de mama's terechtkwamen.

Persoonlijk vond ik de blauwstaartmannen mooier dan de geelstaartmannen. Bij het opfokken van de Cyprichromis jongen heb ik geleerd dat ik meer jongen kon grootbrengen als er een laagje zand op de bodem van de opfokbak lag. Een kale bak zorgde precies voor stress bij de jongen waardoor er behoorlijk wat uitval kwam. Van de 'Goldhead' compressiceps heb ik slechts een keer een vijftal jongen gehad die ik niet heb kunnen grootbrengen. Die jongen groeien extreem traag en eisen bijgevolg heel veel aandacht op; veel voeren, veel water verversen, etc. Op dat moment had ik te weinig ervaring om het goed te laten verlopen.

Het hiervoor beschreven gezelschap zou ik aan ieder beginnende Tanganyika liefhebber durven aanbevelen. Interessante vissen die een harmonieus gezelschap maken en vrij zacht van karakter zijn. De Cyprichromis en de meleagris zorgen voor wat kleur en de A. compressiceps is alleen al door zijn vorm een imposante verschijning, die doordat hij toch wat schuchter is voor het nodige mysterie zorgt.

Toen ik dit gezelschapsaquarium had woonde ik in Antwerpen boven een bakker... heerlijke geur van vers gebakken brood 's morgens en lage stookkosten... geweldig toch!? Niet dus. Vooral 's zomers gaf deze situatie grote problemen met de warmte. Overdag warmde de zon mijn appartement op en 's nachts deed de bakker daar nog een schepje bovenop. Van afkoelen kwam dus niets in huis. Regelmatig werd het dus 30 graden in het aquarium. Een hittegolf, terwijl ik voor een lange vakantie in Canada was, is dan ook noodlottig geweest voor mijn gezelschap.

Vervolgens heb ik het met een aantal soorten geprobeerd waar ik minder succesvol mee ben geweest. Eerst was er Telmatochromis burgeoni, een kleine cichlide met toch een fors postuur en dito uitstraling. Oudere exemplaren krijgen een beetje een voorhoofdsbult. Je ziet ze niet zoveel, misschien omdat ze niet zo kleurrijk zijn. Bij mij in het aquarium waren ze onderling vrij agressief en ondanks de meterbak moest ik regelmatig exemplaren in quarantaine zetten om ze te laten recupereren. Al bij al een avontuur van korte duur, want na enige tijd heb ik ze weggegeven aan iemand met een ruimer aquarium.

Dan was het de beurt aan een van mijn lievelingsvissen die ik jammer genoeg ook niet lang heb kunnen houden. Het gaat om Neolamprologus pectoralis. Deze vis zal je niet gauw in de handel aantreffen en hij is ook alles behalve populair in de liefhebberij om diverse redenen. De meest belangrijke reden is waarschijnlijk dat het niet evident is om deze soort te houden, laat staan ermee te kweken. De onderlinge agressie bij deze dieren ‘kan’ zo groot zijn dat het echt een trieste aanblik wordt. Ik leg de nadruk op 'kan', want het hoeft niet altijd zo te zijn (al ken ik slechts een iemand die deze dieren zonder problemen houdt en kweekt).

De indrukwekkende borstvinnen die hij heeft, laten deze vis toe om zich zeer nauwkeurig te bewegen en om zeer efficiënt voor zuurstoftoevoer te zorgen in de smalle holen die hij bewoont. N. pectoralis is een holenbroeder die in de natuur vrij zeldzaam is en voorkomt op dieptes van meer dan 15 meter. Hij houdt zich op in de rotsen, waar hij zich op dezelfde manier als N. furcifer tussen het substraat beweegt, namelijk met de buikzijde steeds nauwkeurig het substraat volgend. Dat laatste is ook in het aquarium goed waar te nemen. De kleur van deze vissen varieert van licht- tot donkerbruin. Bij mij ging deze weinig kleurrijke doch slanke, elegante vis als een echte ‘killer’ soortgenoten te lijf vanaf dag 1. Scheidingsruiten, apart zetten, etc., niets mocht baten... en tot mijn groot verdriet gingen ze na korte tijd terug naar de man die ze mij had bezorgd, vooraleer er echt doden zouden vallen. Heel jammer, want ik vind het nog steeds schitterende vissen.

Een ander succesverhaal is dat van Altolamprologus calvus. Na de tegenslagen van de T. burgeoni en de N. pectoralis dacht ik met weemoed terug aan de rust die A. compressiceps 'Goldhead' uitstraalde en omdat deze 'Goldhead'€™ toen niet meer te vinden was, ging ik voor zijn kale (calvus= kaal= geen schubben op zijn kop) broertje Altolamprologus calvus 'black' van Zaïre (nu Kongo). Deze hield ik samen met Eretmodus cyanostictus, waarover ik het later nog zal hebben. Ik geloof dat de calvus nog schuchterder was dan de compressiceps en als ik bezoek had vroeg men dikwijls of er wel vissen in het aquarium zaten. Ze voelden zich dan ook thuis tussen de vele rotsspleten die ik geprobeerd had te maken in het aquarium. Schuchter, maar heel mooie vissen met hun fonkelende witte stippen op dat gitzwarte lichaam.

Ik had altijd gedacht dat Altolamprologus-soorten kleine nestjes jongen gaven, tot ik wat je kunt zeggen een succesvolle kweek zag gerealiseerd. Ik had een wildvang man en een vrouw apart gezet in een aquarium, waarbij de dieren gescheiden waren van elkaar door een doorschijnende ruit. Bij de vrouw die amper half zo groot was dan de man legde ik een van de grotere schelpen waar deze dieren in aquariumomstandigheden dankbaar gebruik van maken om in af te zetten. Toen ik merkte dat man en vrouw helemaal op hun gemak waren en de man aan het raam stond te baltsen, zonder dat de vrouw afgeschrikt werd besloot ik op een late avond de scheidingsruit weg te nemen.

Al de volgende dag zag ik dat man en vrouw samen bij de schelp zaten en dat de man zijn galante balts verder zette. Een echte ‘gentleman’ was het en helemaal niet agressief. Enige tijd later was de vrouw verdwenen en parkeerde de man zich stationair bij de ingang van de schelp en nog wat later zag ik de eerste jongen, samen met mama komen piepen aan de voet van de schelp. Ik voederde vanaf dan regelmatig vers uitgekomen Artemia. Na nog een paar dagen verspreidden de jongen zich in het aquarium, zonder zich nog in de schelp terug te trekken. De trotse ouders stonden erbij en keken ernaar. Ik heb ze geen van hun jongen zien verorberen, maar ik zag ze ook niet echt zorgen voor de jongen. Toen heb ik de ouders eruit geschept en de jongen verder opgefokt. Het waren er maar liefst 120 (geteld toen ik ze na enkele maanden overzette naar een groter opfokaquarium). Artemia voeren heb ik nog lang mogen doen, want de jongen groeien extreem traag en de groei gebeurt met schokken. Maanden zie je ze niet groeien en dan plots komt er een paar millimeter bij... zo traag gaat het. Na drie jaar had ik vissen van om en bij de 5 cm en dat waren de grotere exemplaren (bijna zeker mannetjes). Dus als je met deze dieren wil gaan kweken, sla dan vooraf een voorraadje geduld in.

Tot slot wil ik stilstaan bij Eretmodus cyanostictus. Als men mij op dit moment naar de maan schiet en ik mag in mijn bagage 1 soort vissen meenemen, dan neem ik E. cyanostictus mee. Een zeer interessante en best mooie vis met subtiele kleuren die in mijn meter bak (gelukkig) vrij klein van gestalte bleef, maar in een ruim aquarium toch wel 15 cm kan worden. Rond deze vissen heb ik al zeer uiteenlopende adviezen gelezen over hoe ze te houden. Ik wil hier enkel vertellen hoe ik ze jaren succesvol heb gehouden. Het aquarium waar ze samen met A. calvus in zaten was 100 cm lang, 30 cm diep en 40 cm hoog en lag vol op elkaar gestapelde stenen tot iets over de helft van de hoogte. Een groep van zes E. cyanostictus leefde hierin samen met vijf A. calvus. Beide soorten keken niet om naar elkaar. De E. cyanostictus leeft van nature in de branding en de vissen vonden het dan ook geweldig om zich in de stroming van de stromingspomp, in typische kopstand houding, tegoed te doen aan de algen die op de stenen groeien.

Het gaat hier over een biparentele muilbroeder, waarbij het vrouwtje de eerste helft van de broedperiode op zich neemt, waarna de eieren verder uitgebroed worden door de man. Er vormen dus echt koppels (in mijn geval 2) die een hechte band vormen en die zich veelal in elkaars gezelschap ophouden. Ondanks het feit dat sommigen beweren dat je ze slechts per koppel kan houden, ging het bij mij goed met zes dieren. De twee koppels hadden elk hun eigen gebied en de andere twee werden getolereerd, zolang er geen eieren waren of gebaltst werd. Door de vele stenen waren er ook voldoende schuilmogelijkheden in geval van nood. Regelmatig zag ik muilbroedende dieren, doch nooit een jong en omdat ik overal las dat het overgeven van het legsel van vrouw naar man zo delicaat was, dacht ik er niet aan om succesvol te kunnen kweken met deze dieren.

Tot ik op een avond een jong tussen de stenen zag piepen dat 1,5 cm groot was! Perfect gecamoufleerd, donker, ‘huppelend’ langs de stenen... ik dacht dat ik droomde, maar neen, de volgende dagen zag ik hem regelmatig terug. Meer nog... ik zag ook zijn veel kleinere broertjes en zusjes... en dat zonder ook maar enige moeite te hebben gedaan om bij te voederen. Het ging gewoon zijn gangetje in aanwezigheid van A. calvus die toch als rover te boek staat!

Veel jongen heb ik nooit gehad, maar wel genoeg om af en toe wat andere liefhebbers te kunnen voorzien van deze interessante dieren.

Zo beste lezers, als iemand van jullie nog twijfels heeft over het mogelijk houden van Tanganyikacichliden in een meterbak... doen! Aan de vissen in het voorgaande verhaal wil ik bovendien nog de zeer zachtaardige, familiale schelpbewoner Neolamprologus multifasciatus toevoegen, waarvan ik jaren een kolonie heb gehad in een klein speciaalaquarium.

Aanmelden