Text Size

Crenichicla lepidoda

Crenicichla lepidoda

door J. Tielens - Zilverhaai Beringen

De leden van het geslacht Crenicichla worden in een groot deel van Zuid-Amerika, in de meest uiteenlopende wateren, aangetroffen. Het aantal soorten bedraagt ongeveer 30 en zijn felle rovers. Ze voeden zich o.a. met vele vissoorten, die in een aquarium gehouden worden, daardoor zijn ze volkomen ongeschikt voor een gezelschapsaquarium.

Crenicichla_lepitoda.JPG

Crenicichla-soorten worden vaak "Kambaarzen" genoemd, maar dit kan aanleiding geven tot vergissingen, want het zijn geen baarzen maar cichliden en dat is toch een enorm verschil (N.v.d.r. keelbeenderen anders gevormd en slechts één reukgroefgat aan beide zijden van de kop). Kamcichliden hebben een gestrekte lichaamsvorm. Ze doen ons denken aan snoekachtige vissen, die hun prooi met de kop naar voren bliksemsnel vangen en verslinden. Over het algemeen zijn ze zeer aantrekkelijk om zien, enkele zijn bijzonder eentonig van kleur. De meeste soorten worden vrij groot, zowat 15 tot 40 cm lang.


Men moet ze een groot aquarium bieden met talloze schuilplaatsen tussen kienhoutpartijen en een dichte beplanting. Ze zijn nogal schuw en vertonen hun mooiste kleuren onder getemperd licht. De watersamenstelling is van minder belang, evenals de temperatuur, mits deze laatste niet onder de 20 °C daalt. Het hoofdvoedsel bestaat uit kleine vissen en waterinsecten, zoals waterkevers en libelle-larven. Als men deze vissen aanschaft, kan het zijn dat ze kunstmatig voedsel weigeren en ook vaak niet wennen aan vlees. De verzorger moet de moeite nemen om levend en bij voorkeur bewegend voedsel te geven. Dat hoeven, afhankelijk van de grootte van de dieren, niet altijd vissen te zijn. Ze nemen bijvoorbeeld ook watervlooien, tubifex en muggenlarven. Grotere dieren hebben echter zulke hoeveelheden nodig, dat men daar niet altijd in kan voorzien. Dan zal men ook wel vissen moeten voeren en dat wordt dan voor veel aquariumhouders toch wel een probleem.

Kweken met Crenicichla's

De kweek van Kamcichliden of snoekcichliden is moeilijker dan men van de meeste cichliden gewend is. Het is moeilijk een paartje samen te stellen, en de beste resultaten bereikt men met twee vissen uit hetzelfde nest. Crenicichla-soorten zetten in holen af, die ze in de paartijd door het ondergraven van steenpartijen zelf proberen te bouwen. De wijfjes zetten meestal af tegen het plafond van het hol. Soms komt het voor dat de eieren opgegeten worden.

Als de eerste eieren zijn afgezet, moet men ongeveer drie dagen op het uitkomen wachten. De larven hebben nu nog een hechtdraad aan het voorhoofd en worden door de ouders gelijk verzorgd. Het blijkt dan nuttig te zijn als de dieren nog een hol tot hun beschikking hebben. Dat wordt dan nu in gebruik genomen en de larven worden met behulp van de slijmdraad aan het plafond opgehangen. Ze hangen dan nog ongeveer 140 uur tot ze zich zover ontwikkeld hebben dat ze vrij kunnen zwemmen. De jongen echter zijn niet altijd bereid te zwemmen en het kan voorkomen dat ze nog ongeveer 2 dagen op de bodem van het hol kronkelen. Dan hebben de jongen echter al een grootte van ca. 4 mm. bereikt en kunnen niet alleen zwemmen maar nemen ook krachtiger voedsel tot zich. Naast het gebruikelijke kweekvoedsel kan men stofvoedsel geven, maar dan niet in grote hoeveelheden.

Daar de nakweek nogal groot is, moet de kweker er wel voor zorgen, dat hij steeds voldoende voedsel in voorraad heeft.
Na het vrijzwemmen van de jongen, neemt het mannetje het grootste deel van de verzorging op zich. Een goed overeenkomend paartje kan zonder veel toedoen van de kweker tussen de 500 à 800 jongen op de wereld brengen.

Crenicichla lepidota

is een van de meest bekende snoekcichliden. Ze zijn wijd verbreid in Zuid-Amerika en komen voor van het noordelijke Amazone-bekken tot in het noordelijk Argentinië, waar ze zich ophouden in de meest uiteenlopende wateren. Het lichaam, zoals bij de meeste Crenicichla's, is gestrekt en snoekachtig, zijdelings slechts zeer gering samengedrukt, de kop is breed. De dieren bereiken een lichaamslengte van ongeveer 20 cm. Door het enorme verspreidingsgebied zijn er ook binnen deze soort qua kleur enkele verschillen. Daarbij komt ook nog het vermogen van de vissen om van kleur te veranderen. De grondkleur is grijsbruin, maar kan donkerder worden, tot bijna zwart. De over het lichaam liggende kleurglans is afhankelijk van het vindgebied, tussen goud-oker, een iriserend blauw of een eveneens iriserend groen.

Volwassen dieren hebben een donker olijfkleurige rug. Buikpartij en vooral de keel zijn wat lichter en worden witachtig. Een op de bovenlip beginnende lengtestreep, die loopt door de achterkant van het oog tot aan het eind van het kieuwdeksel, is diepzwart en loopt dan wat bleker door tot in de staartwortel. Ze kan in het achterste deel van het lichaam, afhankelijk van de stemming, ook geheel verdwijnen. Boven de aanzet van de borstvinnen ligt een onregelmatig gevormde en door een witte zoom omgeven schouderoogvlek. In de lichaamszone achter de kieuwdeksels tonen de vissen een patroon uit zilverwitte verticale strepen. Ze zijn afhankelijk van de intensiteit van de grondkleur van het lichaam, meer of minder duidelijk zichtbaar. Buik- en borstvinnen passen zich in kleur bij de vindplaats variëteiten aan.

Het geslachtsonderscheid is bij volwassen dieren duidelijk te merken. De rug- en aarsvin zijn puntig met verlengde vinstralen. De vissen zijn bij een lengte van 12 à 18 cm reeds geslachtsrijp. De kweek van deze dieren is al meerdere malen gelukt en verloopt zoals in de geslachtsbeschrijving is te lezen. Het huwelijkskleed van de wijfjes is meestal mooier dan dat van de mannetjes.

Aanmelden