Text Size

Crenichicla proteus

Crenicichla proteus
door William Boucqué. Clubblad april 2000

't Ja, waar het hart van vol is, loopt de pen van over en het resultaat ervan kom je nu te lezen. En hoe kan het ook anders, terug gaat het over een cichlide uit Zuid-Amerika: de Crenicichla proteus. De "snoekcichlide"-wereld heeft mij altijd geboeid, omdat deze vissen zo apart zijn van vorm, gedrag en voortplanting; bestaande uit reuzen, middelgroten en dwergen.

Een zeer grote groep, zeer gevarieerd in kleur, waar toch niet zoveel over gekend is en zelden te vinden zijn in de handel. Vroeger heb ik verschillende varianten gehad maar steeds draaide het uit op één grote fiasco! Want het ongelooflijk moeilijke is de koppelvorming en dat kan iedereen die deze beestjes heeft (gehad) beamen! Na enige ervaringen ben ik tot de conclusie gekomen dat er 3 manieren zijn om een koppel te vormen (laat ons zeggen "pogingen"). Deze dieren zijn extreem agressief ten opzichte van elkaar tijdens de onvruchtbare periode net na het verlaten van de ouders, dikwijls met de dood tot gevolg!

Eerste methode: een aantal jonge exemplaren aanschaffen (minimum 6 stuks) en dan maar hopen dat er twee het met elkaar kunnen vinden. Een tweede wijze is een volwassen man en een volwassen wijfje in eenzelfde aquarium te plaatsen, maar met een doorzichtige scheidingswand tussen de twee in! En dan wachten tot het moment er is: het baltsen. Dan de wand wegnemen en alles nauwlettend in het oog houden; mocht het niet lukken, opnieuw proberen. Een derde methode is de factor "op goed geluk", dit is mij overkomen met de Crenicichla proteus, een koppel waar ik supertrots op ben! Enige tijd geleden had ik een 6-tal jonge exemplaren van 3 à 4 cm overgenomen van onze Gert Vermeulen. Spectaculair gekleurd waren ze niet want ze droegen hun juveniel kleedje nog. Wat grijzig getint en een zwart lengtestreepje siert het kleine, smalle lichaampje. De rugvin heeft een rode smalle band. Eenmaal bij mij thuis gearriveerd, kregen ze direct een 1-meter bakje, ineens plaats genoeg voor zo'n 6 rakkers. Met een minimum aan kienhout en stenen kreeg ik de kans om ze goed te kunnen volgen en ik gokte op de eerste methode, de natuurlijke koppelvorming. Stilaan werd het duidelijk wie een wijfje ging worden en wie tot een mannelijk exemplaar ging uitgroeien (het kritieke moment!). Hun kleurenboeket kwam nu tot uiting en mijn geduld was op, zo schakelde ik over naar methode nummer 3: "op goed geluk". Ik selecteerde "nen bonk van nen vent" en het meest "knappe grietje" uit de groep van 6, die ik meteen overplaatste naar mijn "showaquarium" bij mijn andere Zuid-Amerikanen.

Daarna ging ik op zoek naar het ideale huisje en bracht een terracotta imitatiegrot mee, met twee verschillende openingen erin (in de aquariumhandel verkrijgbaar). Na wat bekvechterij geschiede het ongelooflijke... 't klikte!

Nu even deze beestjes beschrijven. Hun lichaam is langgerekt en geelbronzig gekleurd, af en toe is er een zwarte lengtestreep zichtbaar naar gelang de gemoedstoestand. Boven deze streep verschijnen periodiek dwarsbanden die vooral bij het mannelijk exemplaar tijdens de "kweek en/of baltsperiode" tot uiting komen. Zijn kieuwdeksels zijn knalgeel; de afgeronde en lichtjes lancetvormige staartvin vertoont een prachtige roodblauwe gloed, net als de rugvin waarvan het spitse uiteinde dan weer rood is. De ogen zijn 3/4 rood en 1/4 zilver gekleurd. Hij kan zo'n 16 tot 18 cm lang worden; zijn wederhelft blijft duidelijk kleiner, 12 à 14 cm. Ze is ook iets anders gekleurd (praktisch bij alle snoekcichlide varianten zijn er duidelijke verschillen waar te nemen tussen het mannetje en het vrouwtje!). Haar rugvin bezit een rode band met ovaalvormige "ogen" erin, daarboven is een witte zoom waarneembaar. Tijdens de baltsperiode ondergaat ze een lichte metamorfose (dit tot de eiafzetting is geschied), haar ronde buikje is dan roze-wit en de onderzijde wordt knalrood. De rest van het lichaam (behalve de kieuwdeksels die gelig blijven) wordt donkergrijs, wat de rest van dit prachtige kleurenboeket nog eens extra accentueert. De bek van deze dieren is tamelijk breed en iet of wat afgeplat, een beetje zoals we onze Europese snoek kennen.

Tijdens het baltsen voert ze een "buikdansshow" op voor haar partner om zo zijn hart te veroveren. Hij begint dan met de schoonmaak van hun toekomstig nestje, wat gepaard gaat met de nodige verhuis van zand in het aquarium. Deze snoekcichlidenvariant heeft een unieke en doeltreffende voortplantingsmethode want het is een "holenbroeder". Het wijfje zet haar witgelige eieren af op het plafond van haar nest, elk ei zo'n 2 mm uit elkaar; wat heel knap gevonden is! Als er eentje beschimmelt dan infecteert dit de anderen niet en is dan ook zeer eenvoudig door haar te verwijderen. Eén nest kan zo'n 200 à 500 jonge dieren bevatten! Wordt daar eens papa van! Gedurende deze periode kunnen de ouders zeer agressief zijn ten opzichte van andere bewoners van het aquarium. Hoe groot die andere medebewoners ook mogen zijn, wijken moeten ze! Dus geen al te klein "bakje".

Hun legsel toont na een 3-tal dagen de eerste tekenen van leven en ze krijgen een "hechtdraadje" op hun kop opdat ze beter in het nest zouden blijven "hangen". Als de kleine veelvraten rondzwemmen dan nemen ze gretig artemia naupliën tot zich, na een tweetal weken kan je ze ook cyclops toedienen (minimum twee maal per dag voeren!!!)

Een zéér belangrijke tip: NEEM NOOIT ALLE JONGEN INEENS WEG VAN DE OUDERS!!! Want dan kunnen pa en ma snoekcichlide flink onder elkaar gaan ruziën, soms met de dood tot gevolg! Dit omdat deze dieren zeer gehecht zijn aan hun kroost en ze dan elkaar de schuld gaan geven voor het verdwijnen van hun jonge rakkers. In de natuur blijven de jonge visjes bij de ouders tot het juveniel kleedje bijna weg is (5 à 6 cm). Vaak zijn ze dan al bezig met het volgende legsel! Op gebied van watersamenstelling stellen deze prachtige dieren niet zoveel eisen; een temperatuurbvan 23 tot 28 ºC en een pH van 5,8 tot 7. Tijdens de kweekperiode (bij mij) heb ik de volgende waarden gemeten: 27 ºC, een pH van 6, KH van 0, GH van 8, en een geleidbaarheid van 100 microsiemens.

Het biotoop van de Crenicichla proteus vindt men terug in de Rio Ucayali en zijn zijrivieren te Peru, waar ze tussen het kienhout en stenen vertoeven in de ondiepe wateren. De bodem is er zanderig en bezaaid met plantenresten en bladeren. Het is dan ook best om zoveel mogelijk schuilplaatsen te creëren in het aquarium. Ge kunt nooit weten wanner ze nog eens een echtelijke ruzie hebben!

Nog een zeer belangrijke tip: ze vormen een koppel voor het leven, dus NOOIT andere Crenicichla's (hetzij van hetzelfde ras, hetzij van een ander ras) erbij plaatsen!!! Anders wordt het een moordpartij!!! Ten opzichte van andere bewoners van het aquarium zijn ze vrij vredig en verdraagzaam. Qua voedsel geef ik het liefst diepvries zoals: krill, stukjes garnaal, mosselen, muggenlarven, mysis en af en toe vitamines! Zo dit was mijn prachtige ervaring over deze schitterend gekleurde cichlide en als je eens een "ander model" in uw bakje wilt en ge ziet de uitdaging zitten, dan is dit zeker een aanrader en een rijke aanwinst van een dier! Eenmaal je een koppel bezit, beschouw uzelf als een zeer gelukkige eigenaar, want zoveel zijn er niet!

Aanmelden