Text Size

Cichlasoma alfari

Cichlasoma alfari
door R. R. Mattes. Clubblad maart 2000
Vormgeving en aanpassingen: Van Lysebettens Romain

Kweek en verzorging van Cichlasoma alfari

Als voorbeeld voor Latijns-Amerikaanse cichliden wil ik thans een soort voorstellen die het waard zou zijn vaker in aquaria te worden gehouden.
De naam: Cichlasoma alfari, die al in 1907 door Meek wetenschappelijk werd beschreven, maar pas in 1981 voor het eerst vanuit Nicaragua, Costa Rica en Panama naar Europa kwam.
Een vis, die met zijn pastelkleurig lichaam en de krachtige roodtinten aan de vinzomen en mondrand zeker veel aftrek zou kunnen vinden, indien hij op kleur werd aangeboden. Bij een gemiddelde lengte van (mannetje/wijfje) van 15/8 cm zijn ze zelfs goed houdbaar in een middelgroot aquarium. Tijdens een visbeurs kon ik 4 jonge dieren aanschaffen, waaruit zich thans een koppel heeft gevormd dat al ijverig zorgt voor nakweek. Over deze kweekervaringen gaat dit artikel.

De eerste voorbereidingen starten zo'n 8 dagen voor de eigenlijke eiafzetting met het ijverig zoeken naar een juiste afzetplaats. Deze moet aan de ene kant wat verborgen zijn, maar toch goed controleerbaar en gemakkelijk te bereiken. Cichlasoma alfari is een open substraatbroeder en er werd bij mij altijd afgezet op een platte steen. Het speciale daarbij was echter dat de stenen het liefst in een kuiltje moesten liggen. Als dat niet aanwezig is zorgen de C. alfari daar zelf voor. Men moet erop voorbereid zijn, dat de vissen voor de eiafzetting twee of drie van dergelijke nestkuilen voorbereiden. Het zou fataal zijn deze kuilen uit decoratief oogpunt weer dicht te maken, omdat het koppel pas kort voor de paring definitief besluit op welke plek hun kroost wordt voortgebracht. Maar ook daarna vervult de tweede of derde kuil zelfs nog een rol, want na het uitkomen van de larven worden deze vaak meerdere keren per dag van de ene naar de andere kuil getransporteerd. Tegelijkertijd worden door de ouders en vooral door het actieve wijfje alle plaatsen dermate agressief bewaakt, dat men nog nauwelijks kan vaststellen waar alle jongen de laatste keer werden gedeponeerd. Bij het inrichten van een aquarium moet men goed rekening houden met het broedgedrag van C. alfari en de steengroepen dan al zodanig groeperen, dat latere kuilen geen afbreuk doen aan het geheel. Tijdens de balts en paringsperiode intensiveren de contrasterende kleuren. De van oorsprong pastelkleurige grijsblauwe basiskleur van de wijfjes wordt op de achterste lichaamshelft een intensieve donkerblauwe zone die wordt onderbroken door 5 wit blauwe dwarsstrepen. De koppartij tot aan de borstvinnen vertoont dan ook een witblauwe kleur, waartegen de beide grijsblauwe voorhoofdstrepen ter hoogte van de ogen zeer duidelijk afsteken. De buikzijde verkleurt in toenemende mate tot lichtroze, terwijl de lippen wijnrood overtrokken zijn. Alle vinnen, over het algemeen gelig transparant, krijgen een roze zweem en de randzone van de rugvin kleurt krachtig rood. De gepaarde buikvinnen vertonen een krachtig geel aan het eerste paar lang uitgetrokken stralen, die naar het lichaam overgaat in lichtblauw. De kieuwdeksels en voorkop zijn extra bezaaid met fel iriserende blauwgroene stippen. De schubranden vertonen tot aan de staartwortels een zelfde kleurtekening. Het mannetje is totaal anders van kleur met zin olijfkleurige tot beige basiskleur. De meest interessante kleurintensivering vinden we bij hem aan de okergele keelpartij, die naar de buikstreek toe wisselt tot rozerood. De lippen, randzone van de rugvin en onderste helft van de staart krijgen een sterke roodkleuring. Alle overige vinnen stralen in een felle gele kleur. Opvallend bij het mannetje - net al bij C. nicaraguense - is het stippelpatroon binnen de puntig uitgetrokken rugvin. De kopstreek is bezaaid met krachtige turkooiskleurige vlekken, die zich - net als bij het wijfje - ook voortzetten in de schubranden langs het hele lichaam. De voorhoofdstrepen verbleken daarentegen net als de 5 dwarsstrepen in het achterste deel van het lichaam ten gunste van een donkere lengtestreep, die zich vanaf de kop uitstrekt tot aan de staartwortel en nog slechts zwak wordt onderbroken door de 5 dwarsstrepen en typische vlek in het midden van het lichaam. Duidelijk waarneembaar bij beide geslachten in de broedverzorgingstijd zijn de snelle kleur- en patroonwisselingen. Bij het wijfje bijv. licht de witblauwe kopstreek bliksemsnel op als ze haar broed moet verdedigen tegen andere vissen. Als de jongen dan volledig ontwikkeld zijn en vrij zwemmen hebben beide ouders de "vinnen vol" aan het bijeenhouden van de school en deze te beschermen tegen roofzuchtige medebewoners.

Actief bewaakt door het wijfje trekt de school langzaam door het aquarium, terwijl de man tijdens deze broedverzorgingsfase vaak slechts een passieve rol speelt. Een interessant gezicht in deze tijd is het voeren van de jongen door de ouders. Met wijd gespreide kieuwdeksels, opengesperde bek en heftige vinbewegingen wervelt het dan aanvoerende ouderdier voor de school jongen de bodemgrond op en veroorzaakt zodoende een zand en molmwolk achter zich, waar de jongen induiken en de molm doorkauwen op zoek naar wat eetbaars. Op basis van deze speciale vorm van voedselopname is het eenvoudig voor de verzorger om bijv. met behulp van een plastic buisje wat extra bij te voeren. Daarvoor zijn in water uitgezette vlokken of verkleinde voedertabletten, eigeel, Artemia naupliën, enz. geschikt. Na een eerste schrikreactie bij het in het water steken van de buis tussen de school jongen, wachten de jongen later wel op het extra voedsel.

Ondanks de goede bewaking door de ouders en het bijvoederen, moest ik tot nu toe steeds opnieuw vaststellen, dat de school van dag tot dag kleiner werd. Misschien zijn daaraan ook de nachtactieve meervallen schuldig, die zich in het aquarium bevinden. Zodoende besloot ik om de worp van november apart groot te brengen in een speciale kweekbak, hetgeen goed uitvoerbaar is omdat de jonge C. alfari alles eten wat in het water zweeft of beweegt. Een goede zuurstofvoorziening via een schuimstof binnenfiltertje, 2x per week waterverversing en een gevarieerde voeding, zorgen voor een snelle groei. Wel vertonen ze verschillende afmetingen. Na ca 8 weken zijn er dieren die 3x zo groot zijn als de anderen. Ik denk dat dit reeds een vorm van selectie is. Bij de jongen is al heel snel het kleurpatroon van de volwassen dieren vast te stellen. Hoe vraatzuchtig de kleine C. alfari wel zijn, kon ik vaststellen bij het voorlaatste broed, dat zich een dag voor de kerstvakantie aandiende. Om het de vervangende verzorger makkelijk te maken verwijderde ik de 1ste school, in een poging deze bij hun 4 weken oudere soortgenoten ineen 40 l opfokbakje onder te brengen.
Ik zal U de treurige details besparen van deze goedbedoelde poging. Na 10 minuten was de slachtpartij voorbij, zonder dat ik kans had in te grijpen.

Als algemene verzorgingsregels voor deze Midden-Amerikaanse cichliden zou ik het volgende aanbevelen: wanneer U al ideeën hebt C. alfari in een cichliden gezelschapsaquarium te houden kunt U aan de hand van mijn ervaringen wat doelbewuster te werk gaan. Soorten die qua basiskleur en tekening lijken op C. alfari - hier spelen waarschijnlijk de beide stippen een dominerende rol - kan men beter niet samen in een bak zetten. Ik moest C. septemfasciatus, ofschoon deze soort in hetzelfde biotoop voorkomt en naast C. alfari leeft, verwijderen terwijl C. severum -ook tijdens de broedverzorging - vrijwel ongemoeid bleef. Ook bodemvissen als Ancistrus en Hypostomus schijnen niet erg geliefd te zijn bij C. alfari, misschien vanwege hun nachtelijke jongenroof.

In principe blijven planten ongemoeid als ze niet precies in de kijkhoek of
vluchtzone staan tijdens de broedverzorging. In zo'n geval verstaan ze het vak van tuinier prima en verwijderen ze zelfs een dikkere Echinodorus stengel. Het verorberen van bladeren heb ik nog niet kunnen vaststellen, ofschoon ze groenvoer eten. Waarschijnlijk alleen in de vorm van algen of afgestorven bladeren. Dat is nog een geheim bij C. alfari.

Ofschoon de grotere dieren steeds goed gevoed lijken, zijn ze, in tegenstelling tot hun gulzige jongen, nooit echt actief tijdens het voeren. Of het nu gevriesdroogd voedsel betreft in de vorm van garnalen, muggenlarven of watervlooien, vlokkenvoer of zelfs levende voedseldieren, ze eten pas veel later.
Omdat ze vaak - op de wijze van Geophagus - zand spuwen, mag worden verondersteld dat zij hun voedsel uitsluitend in de bodem zoeken.
Nog een, mij niet duidelijk, gedrag toont in hoofdzaak het wijfje gedurende de broedverzorging. Ik zou het willen omschrijven als "onderwater blaffen". Als men bijv. onopgemerkt voor de bak komt, neemt het wijfje direct de agressiekleuren aan met de felgekleurde koppartij en schiet met voortdurende mondbewegingen op de toeschouwer af. Een waarneming die ik in een dergelijke intensiteit bij geen enkele andere cichlidensoort zo opvallend kon waarnemen.

Een heel interessante vissoort die het waard een thuis te vinden in onze aquaria.

Aanmelden