Text Size

Aequidens diadema

Aequidens diadema
door Wayne S. Leibel. Vertaling Jan Mannekens, Clubblad februari 2000

In het algemeen zijn de "echte acara's", zijnde de soorten binnen het geslacht Aequidens - niet de meest populaire vissen in onze aquaria. De achterliggende gedachte is dat deze vissen groot, bruin en niet interessant zijn. Dat is de mening van liefhebbers, maar ook van exporteurs en de groothandelaars, want zelden worden ze aangeboden. Desondanks gaat het hier over een interessante groep cichliden waartussen een aantal juweeltjes zitten waar de liefhebber te snel overheen kijkt. Aequidens diadema, ook wel de koninklijke Acara genoemd (diadema = Grieks voor kroon of gekroond) is een van deze juweeltjes.

Het geslacht Aequidens (de echte acara's) werd recent (1986) nog herschikt door Kullander. Het geslacht bevat een vijftiental soorten van de Orinoco, de Amazone, Tocantins, Paranaiba en Paraguay drainages. Binnen dit geslacht vinden we o.a. A. chimantanus, diadema, epae, gerciliae, mauesanus, metae, michaeli, pallidus, paloemeuensis, patricki, plagiozonatus, potaroensis, tetramerus, tubicen en een aantal nog niet beschreven soorten. Van al deze hiervoor vermelde soorten zijn de meest bekende in vet weergegeven. De meeste Aequidens soorten die bij wildvangzendingen gevonden worden moeten gezien worden als bijvangsten. Men gaat dus niet specifiek deze Aequidens vangen, maar vindt ze eerder toevallig in de netten.

Veel soorten worden vrij groot (tussen 24 en 30 cm). De meeste soorten zijn vrij gemakkelijk in het aquarium te houden. En vooral de soorten uit het diadema-complex (zie verder) zijn schitterend en zouden aan populariteit moeten winnen naarmate ze meer worden aangeboden.

Het "diadema-soorten complex"

Kullander (1986) suggereert dat de meest kleurrijke "echte acara's" - A. diadema, patricki, metae, pallidus en een aantal niet beschreven soorten - een aparte groep vormen die zich onderscheid van de andere Aequidens. Ze hebben allen iriserende blauwe stippen en/of lijnen op de wangen en schubben met donker afgelijnde boord in het achterlijf. Bovendien hebben ze allen de zadelvormige vlek in de rug die tot in de rugvin kan lopen. Aequidens metae is de meest gekende - doch dikwijls verkeerd voorgesteld - in de hobby.

Aequidens_diadema.jpg
Aequidens diadema

Aequidens diadema is volgens mij de mooiste in het diadema-complex.

Deze soort werd in 1840 het eerst beschreven door Heckel. Deze eerste exemplaren kwamen uit de bovenstroom van de Rio Negro, maar men treft ze ook aan in het stroomgebied van de Orinoco in Columbia-Venezuela en in het Jurua stroomgebied in Peru. Volgens Kullander zou de soort ook voorkomen in de Rio Negro in Brazilië en Colombia.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mijn recentste populatie is afkomstig uit Peru, maar ik had eerder al A. diadema uit de Rio Negro. Kullander (1986) schrijft dat de morfologische verschillen tussen de A. diadema van verschillende vindplaatsen, zouden kunnen betekenen dat de vorm uit Peru eerder een niet beschreven vorm is (Aequidens cf. Diadema), vermits de eerste exemplaren uit de Rio Negro kwamen. A. diadema uit de Rio Negro werd over het algemeen iets groter (18 tot 20 cm) dan de Peru-vorm, en ook waren er kleurverschillen.

Kweek met Aequidens diadema

Aequidens diadema verscheen voor het eerst op het Europese toneel in 1983. In Amerika zag men ze pas rond 1988 opduiken tegen vrij hoge prijzen. Ik schafte mij een 10-tal exemplaren aan. Als ze 6 cm groot waren bracht ik ze onder in een aquarium van 120 cm lengte samen met enkele even grote Heros severum. In het aquarium lagen een aantal stukken plastieken buis, een aantal bloempotten en een paar stukken kienhout. Ongeveer 5 cm zand bedekte de bodem. Planten waren er niet in het aquarium. Het gezelschap deed het voortreffelijk en de vissen groeiden voorspoedig tot een grootte van 10 cm. In de natuur komen beide soorten voor in gezelschap van Laetacara flavilabris, Apistogramma nijsseni, snoekcichliden (Crenicichla), zalmachtigen en tetra's. Het is mijn idee dat de acara's zich tegoed doen aan de tetra's, vermits ze deze Aequidens niet zo agressief zijn en altijd een stevige honger hebben. Bij mij werden de vissen slechts een keer per dag gevoederd.

Het water in het aquarium had een pH van 7,2 en was matig hard. Het aquarium werd gefilterd mat een Aquaclear 600 en werd zwaar belucht door een aantal uitstromers. Ik voerde ze voornamelijk Tetra Bits en OSI vlokkenvoer. Uitzonderlijk voerde ik rode muggenlarven, wat telkens een spektakel voor gevolg had. Staeck en Linke (1995) suggereren dat A. cf. Diadema zich in de natuur voornamelijk zou voeden met zoetwatergarnalen die blijkbaar in grote hoeveelheden aanwezig zijn in zijn leefgebied.

De mannen groeiden uit tot bijna twee keer de grootte van de vrouwen. Na 2 jaar waren de grootste mannen 15 cm de vrouwen weinig groter dan 10 cm. De mannen beschikken over een imposant vinnenstelsel en sommigen vertoonden een lichte voorhoofdsbult.

Opvallend was dat de vissen niet zo happig zijn op waterverversing. Ik ververs ongeveer 30% van het water per maand. De severum heeft daar geen enkel probleem mee, maar de A. cf. diadema hingen telkens voor een paar uur onbehaaglijk in de hoek van het aquarium na elke waterwissel. Misschien was het de chloor in het bijgevoegde leidingwater dat hen irriteerde. Meer frequente, minder grote waterverversingen brachten geen beterschap. De jongen hebben er nog meer last van als de ouderdieren. Misschien moet ik het water langer laten staan. Desondanks de niet gesmaakte waterverversingen zorgden de diadema voor een 12-tal succesvolle paringen met diverse koppels.

De eerste signalen van een komende paring kunnen niet gemist worden! De kop van de partners kleurt dan zeer donker (bijna zwart). Dat blijft zo tot nadat er eieren zijn afgezet en bevrucht. In het begin kozen de vissen een losgekomen zuignap als substraat voor het afzetten. De legsels waren vrij klein; 50 tot 100 eitjes per legsel en deze pasten perfect op de zuignap. De zuignap werd met en zonder eieren door de ouders de bak door getransporteerd. In de literatuur (Stawikowski en Werner, 1988) werden deze vissen ook als muilbroeders beschreven. Bij mij hebben de vissen nooit enig aanstalten gemaakt om eieren in de bek te nemen. Toen ik de zuignap uit het aquarium verwijderde kozen de vissen de buitenkant van de buisjes als substraat en de buitenkant van de bloempotten. In de natuur werden deze vissen aangetroffen in beekjes waarin de bodem bedekt was met rottende bladeren. Vermoedelijk zullen de vissen bij voorbaat kiezen voor een verplaatsbaar substraat om op af te zetten.

Het opkweken van de jongen is niet moeilijk. Toevallig moest ik kort na de eerste afzetting op reis. Ik had een aantal jongen in een klein aquarium voorzien van beluchting geplaatst, en een vriendin gevraagd om elke twee dagen een beetje droogvoer fijn te wrijven. Toen ik terugkwam had ik geen enkel jong verloren! Ik heb als experiment telkens een aantal jongen ondergebracht in kleine aquaria met en zonder beluchting als experiment en telkens overleefden de larven. Deze jongen zijn werkelijk oersterk. En bovendien zijn ze nog zeer aantrekkelijk gekleurd. Ik wil hier zeker niet beweren dat je je vissen of larven moet verwaarlozen en af en toe voederen met pas uitgekomen artemia is zeker aan te raden. Ik wil alleen maar aangeven dat deze vissen niet zo moeilijk zijn om op te kweken. De jongen beginnen uit te kleuren als ze 3 a 5 cm groot zijn (6 tot 8 maanden oud).

A. cf. diadema worden niet te groot, zijn niet zo agressief onderling en tegenover andere soorten en ze zijn schitterend gekleurd. Misschien vallen ze iets minder op dan de trendy snoekcichliden en de spetterende Geophagus-soorten, maar daarom zijn ze zeker niet minder interessant.

Auteur: Wayne S. Leibel - The Royal Acara: Aequidens diadema (Heckel 1840), "crowned" prince of the true acaras - Cichlid news october 1998 p 17-25

Aanmelden